Gehouden lezingen

Zaterdag 10 november 2018

voordracht te houden door de heer Jef Halmans, met titel:

De ontwikkeling van de Limburgse steenkoolmijn-industrie
van ca. 1850 tot 1974

Samenvatting van de voordracht op zaterdag 10 november 2018

De aanwezigheid van steenkolen in de bodem van Limburg was al langer bekend: er waren al twee steenkoolmijnen in het meest oostelijke deel van Zuid-Limburg in exploitatie. Verkenningen van de bodem hadden bewezen dat ook meer westelijk winbare steenkool aanwezig was. De toenemende vraag naar steenkool door de opkomende industrialisatie en de mogelijkheden om door de waterhoudende drijfzandlagen tot op de carboonrots te komen maakten het mogelijk om de steenkool in Limburg te ontginnen. In het midden van de van de 19-e eeuw zijn er verschillende toegekende concessieaanvragen, maar de aanvragen blijven steken in daaropvolgende investeringen.

Pas tegen het einde van de 19-e eeuw zijn het hoofdzakelijk buitenlandse investeerders, die het aandurven om hier op grotere schaal steenkoolmijnbedrijven te beginnen. De mijnen Oranje-Nassau I en II, de Laura en de Willem-Sophia worden aangelegd en komen na de eeuwwisseling in productie. Grote gebieden met steenkool in de bodem waren nog vrij en de Nederlandse Staat reserveerde die vrije gebieden voor Staatsexploitatie onder het motto: de bodemschatten moeten ten faveure van heel Nederland komen. In 1902 werden de Staatsmijnen opgericht. In 1906 kwam de Staatsmijn Wilhelmina in bedrijf en enige jaren later de andere drie Staatsmijnen. De geologische omstandigheden in Limburg waren minder gunstig dan bijvoorbeeld in het Ruhrgebied: dunnere lagen, meer doorgroeid met steen, grote toevloed van water en vaak grotere diepte.

In 1958 werd door de Regering de import van goedkopere kolen uit de Verenigde Staten en andere landen vrij gelaten en daarmee verloren de Limburgse mijnen hun inmiddels kunstmatige winstgevendheid. Ook was aardolie een gedegen concurrent geworden. De afbouw en sluiting van de steenkoolmijnbouw was onvermijdelijk, zeker toen in Groningen een enorme aardgashoeveelheid in de bodem gevonden was. Eind 1974 ging de laatste mijn dicht. De sluiting van de mijnindustrie sloeg een enorm gat in de werkgelegenheid en vooral in de sociale structuur van dit deel van Limburg. Het is pas nu, enige generaties na de sluiting, dat Zuid-Limburg zich weer enigszins herstelt.

Informatie over de spreker, de heer Jef Halmans

Jef Halmans (1945) woonde tot 1971 in Heerlen vlak bij de Oranje-Nassau-Mijn I. Na een studie elektrotechniek aan de HTS van Heerlen is hij na twee andere werkgevers terecht gekomen bij het toen nog geheten Lips-Aluminium, later Alcoa-Nederland in Drunen. Na enige jaren in de technische dienst gewerkt te hebben aan diverse investeringsprojecten heeft hij de leiding van de aluminiumwalserij overgenomen. Daar is in de loop van 10 jaar de capaciteit ruimschoots verdubbeld door verbeteringen aan het machinepark zonder grote kostbare machines toe te voegen. De laatste jaren van zijn loopbaan heeft hij als Directeur van de hele Alcoagroep in Nederland gefunctioneerd. Alcoa had inmiddels andere, grotere ambities in Europa en de kleine walserij in Drunen moest het veld ruimen voor de grote bedrijven in Hongarije, Spanje en Rusland. Een sluitingsprogramma met afvloeiingsregelingen voor het personeel moest ontwikkeld worden en in 2003 was dat proces geheel afgerond.

De geschiedenis van de techniek heeft altijd zijn warme belangstelling gehad: eerst rond de bloei en neergang van de mijnindustrie en later ook rond andere industrietakken. Hij had een vaste rubriek in het personeelstijdschrift van Alcoa over de wereldwijde ontwikkeling van de aluminiumindustrie.

Zaterdag 13 oktober, 2018 

Voordracht te houden door de heer Arjan J. Barnard, met titel:

Fabrieksschoorstenen in Nederland

Samenvatting van de voordracht 

In mei 1984 werd de schoorsteen van Zuivelfabriek Salland uit 1928 gesloopt, soms haalden vallende schoorstenen het nieuws, meestal niet, heel gebruikelijk in die jaren. Deze schoorsteen werd echter de start voor een onderzoek naar schoorstenen uit 1928. Van één jaar, 1928 en één bedrijf, De Ridder, breidde het speuren zich uit tot steeds breder onderzoek om te resulteren in een landelijke studie naar het fenomeen fabrieksschoorstenen in al haar facetten. Barnard richtte de stichting fabrieksschoorstenen op STIF, www.stif.nl wat een instrument werd om brede belangstelling en daarmee behoud van bijzondere schoorstenen na te streven. De stichting geeft twee keer per jaar een nieuwsbrief uit. In opdracht van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed werd een overzicht gemaakt van Nederlands belangrijkste schoorstenen. Er bestond op dit gebied alleen een technisch handboek uit 1923 dus voor alle facetten van het onderzoek moest Barnard zelf de kaders bepalen. Na 30 jaar onderzoek zijn de resultaten gebundeld in het 462 pagina’s tellend boek “Fabrieksschoorstenen in Nederland” met 800 illustraties. In meerdere recensies van het afgelopen jaar wordt het boek als het standaardwerk op dit gebied genoemd. In de voordracht met PowerPointpresentatie kunt u kennismaken met de vele facetten van het boek, van de ontwikkeling van de schoorsteenbouw vanaf 1775, via de massale sloop, tot museale verplaatsing van schoorstenen. Van functioneel vierkant tot versiering met namen en mozaïeken. Over de bedrijven die schoorstenen bouwden en de gebruikte materialen. Van de 11 000 die er waren naar de 600 die nu nog resteren. Het boek werd in 2017 mede mogelijk gemaakt door het Prins Bernhardfonds. Van de 1 000 exemplaren zijn er al 815 in omloop. De aanwezigen krijgen de mogelijkheid het boek tegen gereduceerde prijs aan te kopen (€ 30,- i.p.v. normaal € 35,-).

Informatie over de spreker, de heer Arjan Barnard 

Arie Johannes Barnard (Arjan) werd geboren op 23 april 1956 te Hardenberg. Na de middelbare school studeerde hij voor uurwerkmaker aan de Vakschool Schoonhoven en behaalde tevens het juweliersdiploma. Vanaf 1983 werkzaam in het uit 1953 stammende juweliersbedrijf opgericht door zijn vader. Sinds 2013 ook part-time docent uurwerkmaken aan de Vakschool Schoonhoven. Hij ontwikkelde vanaf 1984 een grote belangstelling voor het industrieel erfgoed in het algemeen en voor de fabrieksschoorsteen in het bijzonder. Hij was vele jaren bestuurslid van de Federatie Industrieel Erfgoed Nederland (FIEN) en is sinds 1997 oprichter en voorzitter van de stichting Fabrieksschoorstenen (STIF) www.stif.nl . Hij deed sinds 1984 onderzoek naar bouw en bouwers van fabrieksschoorstenen in Nederland wat leidde tot de publicatie in 2017 van het boek “Fabrieksschoorstenen in Nederland”, de eerste publiekspublicatie sinds 1923 over dit onderwerp. Wel verschenen er eerder enkele specifieke deelstudies van mede schoorsteenonderzoeker Pierre Geelen over dit onderwerp.

Zaterdag 8 september, 2018 

Voordracht te houden door de heer Jaap van Raaij, met titel:

        Polder- en boezembemaling in Nederland 

Samenvatting van de voordracht 

De bewoonbaarheid en de leefbaarheid van ons land wordt in grote mate bepaald door de bescherming van duinen en dijken en kades. De waterafvoer is daarbij van levensbelang. Naast het op natuurlijke wijze afvoeren van overtollig water zijn als gevolg van zeespiegelrijzing en maaivelddaling sinds de vroege Middeleeuwen kunstmatige afvoer en daarmee gemalen onmisbaar. Het waren eerst simpele instrumenten door mens-, dier- of windkracht in beweging gebracht, waarmee de polders werden drooggemalen. Vanaf omstreeks het midden van de 18-de eeuw veranderde dat en zijn we steeds geavanceerdere gemechaniseerde en later ook geautomatiseerde technieken gaan gebruiken om droge voeten te houden. In totaal staan in Nederland ongeveer 4 500 bemalingseenheden opgesteld waarvan de grootste, tevens de grootste van Europa een capaciteit heeft van bijna 300 kubieke meter per seconde. In de voordracht zal worden ingegaan op de geologische en geografische achtergronden van het ontstaan van ons land, de relatie tussen land en water en de eigenaardigheden van het water die bepalend zijn geweest voor de controle hierover – wat wij nu waterbeheersing noemen. Verder komt ruimschoots de ontwikkeling aan de orde van de opvoerwerktuigen en de aandrijvingen die hierbij zijn gebruikt en een aantal dat nog steeds wordt gebruikt. Een en ander zal worden ondersteund met figuren, tabellen en foto’s.  

Informatie over de spreker, de heer Jaap van Raaij

Jaap van Raaij (1945) heeft van 1963 tot 1973 dienst gedaan als scheepswerktuigkundige op schepen van de grote handelsvaart. In de periode van 1973 tot 1975 was hij werkzaam eerst als shift engineer en later als workshop manager op de rietsuikerfabriek Kilombero Sugar in Tanzania. Vanaf 1975 tot 2015 was hij in dienst bij het ingenieurs en adviesbureau Tauw bv als montage-inspecteur, afdelingshoofd van de afdeling werktuigbouw en elektrotechniek en tevens projectleider. In die periode is hij betrokken geweest bij verschillende irrigatie projecten in onder andere Kenia en de realisatie van een groot aantal nieuwbouw- uitbreiding- en renovatieprojecten met betrekking tot polder- en boezemgemalen in binnen- en buitenland. Sinds de oprichting, ruim 31 geleden is hij betrokken bij de Nederlandse Gemalenstichting (NGS) als adviseur. Hij is medeauteur van het boek Tussen Stoom en Stroom en tevens verzorger van archiefmateriaal en redactionele ondersteuning bij het schrijven van het boek Het Water de Baas (2010) van deze stichting. Naast het adviseurschap voor de Nederlandse Gemalenstichting is hij bestuurslid van de Stichting Historische Sluizen en Stuwen Nederland (HSSN) waar hij zich onder andere bezig houdt met de opzet en het vullen van de nieuwe data base van deze stichting. Ook is hij te vinden als rondleider op het ir D.F. Wouda gemaal te Lemmer, het grootste en sinds 1998 op de UNESCO Wereld Erfgoedlijst geplaatste nog werkende Stoomgemaal van de wereld.

 

Zaterdag 12 Mei 2018

Voordracht van dhr. Volkert Schaap met de titel:

De ontwikkeling van het IJmuiden sluizencomplex in de afgelopen 150 jaar.

Samenvatting van de voordracht:

In 1852 start de discussie in Amsterdam de mogelijkheid te onderzoeken voor een kanaal van het IJ door de duinen naar de Noordzee. De toegang over de Zuiderzee naar Amsterdam is onbruikbaar voor de grote zeeschepen door het dicht slibben van de doorvaart bij Pampus en het IJ. De plannen werden als onhaalbaar en te duur verworpen. Als alternatief is het Noord-Hollandsch kanaal (1824) gegraven. Dit blijkt uiteindelijk voor Amsterdam geen goed alternatief en in 1861 is een concessie verstrekt voor het graven en exploiteren van een kanaal door de duinen bij IJmuiden. In 1876 is het kanaal met de daarbij noodzakelijk sluizen (Kleine- en Zuidersluis) geopend.
Bij de opening bleken de sluizen te klein te zijn voor de nieuwe generatie zeeschepen. De discussie voor een grotere zeesluis kwam direct op gang en in 1896  werd de Grote Zeesluis geopend (huidige Middensluis). De ontwikkeling van de scheepvaart ging snel zodat in 1929 de Noordersluis is geopend.
In de jaren negentig van de vorige eeuw kwam de discussie weer op gang voor een grotere zeesluis. Het vervoer van goederen over zee neemt net als de schaalvergroting in de zeevaart en binnenvaart toe, schepen worden groter en groter. Om in de toekomst goed en snel bereikbaar te blijven, is een nieuwe, grotere zeesluis nodig. In de voordracht wordt stil gestaan bij de ontwikkeling van het sluizencomplex, de toegepaste bouwtechnieken, de verborgen functies van het complex en de bouwmethode van de nu in aanbouw zijnde zeesluis. De voordracht wordt ondersteund met tekeningen en veel foto’s van toen en nu.

Informatie over de spreker, dhr. Volert Schaap

Volkert Schaap (1949) was van 1971 tot 1995 in dienst bij de provincie Noord-Holland en van 1995 tot 2015 bij Rijkswaterstaat. In de avonduren volbracht hij in 1978 de HTS Weg- en Waterbouw en diverse aanvullende diploma’s op het gebied van milieu. Bij Rijkswaterstaat was hij hoofd van diverse afdelingen en in 2004 werd hij hoofd van de afdeling Vaarwegen en Waterkeren, de latere afdeling Planvorming. Bij deze afdeling maakte hij kennis met het dossier “Nieuwe zeesluis te IJmuiden”.
In 2005 werd dat dossier in de Tweede Kamer afgesloten als niet rendabel. In 2007 lukte het met behulp van veel lobby werk uit de regio en een positief advies van het CPB het dossier weer op de politieke agenda te krijgen. Hij kreeg opdracht om een verkenning uit te voeren of een nieuwe zeesluis haalbaar was. Op basis van de  verkenning en een daaropvolgend positief advies van het CPB heeft de Minister in 2009 besloten de Noordersluis te gaan vervangen. Hij kreeg de opdracht een planstudie/MER op te stellen voor de bouw van een nieuwe zeesluis. Na  afronding van de MER in 2012 bleef hij nog als omgevingsmanager betrokken tot aan zijn pensioen, bij de verdere uitwerking van de sluis tot en met de 1e fase van het aanbestedingtraject eind 2015. In 2016 was hij actief bij de provincie Noord-Holland om het Sluis Informatiepunt (SHIP) op te zetten. Het betreft het  informatiecentrum voor de nieuwe zeesluis dat op 1 april 2017 is geopend. Sinds de
opening van het SHIP komt u hem daar tegen als één van de rondleiders van het centrum.

 

Zaterdag 14 April 2018

Voordracht van ir. J. van der Mast met de titel:

Jacques van Marken: ieder uur een woord. een daad.  

Samenvatting van de voordracht:

Jacques van Marken (1845-1906) was een visionair, die alle nieuwe technische vindingen omarmde, zoals de telefoon, elektrisch licht, automobiel, luchtgistmethode, rollengrammofoon etc. In 1897 – kort na de première van de eerste films van Lumière in Parijs – liet hij deze films aan zijn arbeiders zien en maakte in zijn foto-atelier de eerste films van Nederland. Hij vond dat de TU een nieuw soort ingenieur moest opleiden: sociaal ingenieur. Hij schreef daar in 1893 een pamflet over: ‘Hem is de toekomst!‘ Zijn term ‘social engineering’ werd in Amerika een begrip.
Jacques creëerde samen met zijn echtgenote Agneta eind 19e eeuw in Delft een magische, unieke wereld. Het echtpaar schepte werkgelegenheid met de oprichting van de Gistfabriek en Calvé, maar bouwden ook Agnetapark – een groene oase in de stad – en gingen er tussen hun arbeiders wonen. Deze fabriekskolonie functioneerde als een verzorgingsstaat waar ‘papa en mama’ Van Marken over de arbeidersgezinnen waakten.
Schrijver Jan van der Mast publiceerde in 2015 de roman ‘Agneta’ waarin hij het wonderlijke ‘dubbelleven’ van de industrieel op de korrel nam en het verbond beschreef dat Agneta met de minnares Maria sloot. Aanleiding om deze roman te schrijven was de vondst van een geheim dagboekje, dat pas in 2040 mag worden geopenbaard.
Onder de indruk van de sociale ondernemers- ideeën van Jacques van Marken – hij is de Henry Ford van Nederland – besloot Jan vervolgens een biografie over deze visionair te schrijven: ‘Ieder uur een woord een daad.
Het leven van Jacques van Marken is als een rollercoaster: de domineeszoon studeerde als eerste technoloog aan de TU af (1867), wilde dichter worden, maar besloot zich ‘nuttig te maken voor de maatschappij’, stichtte grote fabrieken en groeide uit tot een bekende industrieel die bv. met de Franse president over winstdeling sprak. Hij werd als ‘modelondernemer’ op handen gedragen door de landelijke pers, maar door de sociaal-democraten als een ‘wolf in schaapskleren’ afgedaan. Zij wilden een gewelddadige revolutie. Van Marken wilde echter Arbeid & Kapitaal verzoenen en met kalm overleg samenwerken en welvaart met elkaar delen.

Informatie over de spreker, ir. J. van der Mast

Jan van der Mast (1961) studeerde stedenbouw in Delft, voltooide zijn studie in Barcelona, maar koos al snel voor het schrijverschap. Hij schreef toneelstukken, romans en won diverse literaire prijzen. De laatste jaren legt hij zich toe op historische romans. Inmiddels is hij druk bezig om in Delft een Van Marken Museum van de grond te krijgen op de plek waar ooit villa Rust Roest stond – centraal in het Agnetapark – en waar Jacques en Agneta woonden.
Voor meer info: www.janvandermast.com

 

Zaterdag 10 Maart 2018

Voordracht van ir. A. Burgers met de titel:

De gevaarlijke rivier. Het heden getoetst aan het verleden.  

Samenvatting van de voordracht:

Rond 1800 dachten alle belangrijke waterbouwkundigen dat Nederland zou vergaan als gevolg van de hoge rivierstanden. Overstromingen ontstonden veelvuldig als gevolg van ijsdammen. De dijken zouden niet meer kunnen worden verhoogd, want ze zouden wegzakken door de slechte ondergrond. Er restte in hun beleving nog maar één middel: de verspreiding van het van boven komende water. In 1850 kwam er een nieuwe aanpak. De rivieren werden versmald en verdiept door de bouw van kribben. Daarnaast kreeg iedere rivier een eigen uitgang naar zee. De dijken werden verhoogd en versterkt. Het aantal overstromingen verminderde drastisch. Na 1953 zouden de dijken opnieuw worden verhoogd. Maar er ontstond grote weerstand tegen de geplande verzwaringen. Vervolgens kwamen er overstromingen in Limburg en evacuaties in Rivierenland. Het credo werd: er komt meer water, de dijken kunnen niet hoger, de waterspiegels moeten omlaag. Rivierverbreding en hoogwatergeulen waren de nieuwe oplossingen. Maar hoe verhouden deze maatregelen zich tot het verleden? Zijn de voorspellingen in overeenstemming met de feiten? En zijn de gekozen oplossingen logisch in het licht van de fysica?

Informatie over de spreker, ir. A. Burgers

Ton Burgers studeerde in 1970 af als civiel ingenieur, aan de Technische Hogeschool te Delft. Hij werkte van 1972 – 1985 bij Boskalis, waarvan enkele jaren in Zeebrugge en daarna bij het ontwerp van kunstmatige eilanden in het Canadese poolgebied. In 1985 vertrok hij naar Waterloopkundig Laboratorium WL/Delft Hydraulics in de Noordoostpolder; daar was hij zes jaar directeur van de sector Havens, Kusten en Offshore Technologie. Van 1996 – 2007 werkte hij bij Royal Haskoning, eerst als directeur van de divisie buitenland, daarna Water. Na 2010 schreef hij enkele boeken, waaronder Nederlands grote rivieren. Drie eeuwen strijd tegen overstromingen (Utrecht, 2014) en Sporen naar Arnhem Centraal (Utrecht, 2015).

Zaterdag 10 Februari 2018

Voordracht van dhr. Frans Wilbrink met de titel:

Kunst in de Philips-reclame 1891 – 1941 

Samenvatting van de voordracht:

In 1891 werd in Eindhoven Philips & Co opgericht voor het vervaardigen van gloeilampen. Omdat de gloeilamp in die tijd nog geen consumentenproduct was, was er ook nauwelijks sprake van reclame. Pas in 1908 verschenen de eerste advertenties met Philips-reclame in dagbladen en tijdschriften. In eerste instantie maakte de reclame vooral gebruik van figuren in klederdracht. Als reclamemiddel werkte dit prima maar echt kunstzinnig was het natuurlijk niet. Maar vanaf 1916 kregen kunstenaars van Philips af en toe opdracht om een affiche te ontwerpen. Van enige uniformiteit in de reclame was weinig te merken. Dit veranderde toen in 1925 ir. Kalff bij Philips in dienst trad. Hij introduceerde de art deco in de reclame, standaardiseerde het woordbeeld PHILIPS en gaf een aanzet tot het Philips-logo. Met de komst van Kalff kwam er ook een afdeling Artistieke Propaganda tot stand waar steeds meer reclameontwerpers emplooi vonden. Als gevolg van de economische crisis moest Philips begin dertiger jaren circa 50% van zijn medewerkers ontslaan. Het reclamewerk werd steeds meer uitbesteed aan reclamebureaus. Incidenteel werd er nog een opdracht verstrekt aan een kunstenaar. Aan het eind van de dertiger jaren werd de afdeling Artistieke Propaganda ondergebracht bij de Eindhovensche Drukkerij, een 100% dochter van Philips die ook voor derden werkte. De voordracht wordt gelardeerd met fraaie reclame-uitingen en met enkele korte filmfragmenten.

Informatie over de spreker, dhr. Frans Wilbrink

Frans Wilbrink (* 1943) was van 1959 tot 2003 werkzaam bij Philips in Eindhoven. Met een kleine onderbreking van vier jaar op de bedrijfseconomische afdeling (1976-1980) was hij steeds werkzaam in de automatisering (ICT). In de avonduren behaalde hij diverse diploma’s. Uiteindelijk studeerde hij in 1980 af in bedrijfseconomie aan de Universiteit van Tilburg. Eind jaren zeventig maakte hij op de afdeling bedrijfseconomie via een sales manager kennis met voorbeelden van Philips-reclame uit de periode voor de Tweede Wereldoorlog. Na enig aandringen mocht hij het reclamemateriaal (vooral folders) houden. Dit was het begin van een passie en een verzamelwoede die uiteindelijk zou uitmonden in een ongekend omvangrijke en kwalitatief hoogstaande verzameling Philips-reclame. Halverwege de jaren negentig begon hij met het publiceren van artikelen over zijn hobby (o.a. voor de Philips Koerier, het personeelsblad van Philips). Een boek was een logisch vervolg. De eerste tekstversie van zijn boek ‘Kunst in de Philips-reclame (1891-1941)’ was klaar in 1997. Echter pas acht jaar later lukte het hem een uitgever ([Z]OO producties) voor het boek te vinden. In 2005, het jaar waarin Frits Philips honderd jaar werd, werd het boek gepubliceerd. Tegelijk met de publicatie vond er in Eindhoven een tentoonstelling plaats van Philips-affiches, uiteraard met veel werk uit Wilbrink’s verzameling. Terwijl het verzamelen gewoon doorging bouwde hij een website waarop de mooiste stukken uit zijn verzameling te zien zijn, aangevuld met biografieën van de Philips-reclamekunstenaars (http://www.philipsreclamekunst.nl/). 

 

Januari 2018

Voordracht van dr. A.H. Streefland met de titel:

Jaap Kistemaker en uraniumverrijking in Nederland 1945 – 1962 

Samenvatting van de voordracht:

Al direct na de oorlog begon Jaap Kistemaker in Amsterdam een onderzoek naar het verrijken van uranium. In de natuur komt deze gelige stof in verschillende isotopen voor. Slechts één van deze isotopen werd echter geschikt geacht voor atoomwapens en energiewinning. De verwachtingen waren dan ook zeer hooggespannen. Kistemaker werd aangesteld binnen de Stichting voor Fundamenteel Onderzoek der Materie, in eerste instantie onder de hoogleraar Cornelis Jan Bakker. Later kreeg hij een eigen laboratorium tot zijn beschikking – het Laboratorium voor Massaspectrografie in Amsterdam. Tegenwoordig heet dit laboratorium AMOLF (FOM Instituut voor Atoom- en Molecuulfysica). Hoe werd er in het naoorlogse Nederland vormgegeven aan de wens om uranium te kunnen verrijken? Waar kwam deze wens eigenlijk vandaan? En wat werd er vervolgens mee gedaan? Welke rol speelde de Koude Oorlog met al zijn geheimhoudingssentimenten, spionage en Amerikaanse hegemonie? En hoe positioneerde een wetenschapper in witte laboratoriumjas, die zich graag profileerde als eenvoudige boerenzoon, zich in deze grote kwesties? .

Informatie over de spreker, dr. A.H. Streefland

Abel Streefland studeerde natuurkunde en vervolgens wetenschapsgeschiedenis aan de Universiteit Utrecht. September jongsleden promoveerde hij aan de Universiteit Leiden op een proefschrift over Jaap Kistemaker en de geschiedenis van uraniumverrijking in Nederland tussen 1945 en 1962. Tussendoor schreef hij voor Teylers Museum in Haarlem een boekje over de Haarlemse jaren van de theoretisch fysicus Hendrik Antoon Lorentz. Sinds november 2016 is hij als universiteitshistoricus verbonden aan de Library van de Technische Universiteit Delft.

December 2017

Voordracht van prof.dr.ir. G.A.M. van Kuik met de titel:

Wind verwacht: zet je schrap

Samenvatting van de voordracht:

In de presentatie wordt de status van windenergie besproken inclusief een korte terugblik over 40 jaar ontwikkeling en bijbehorende verschuiving in onderzoeksprioriteiten. Het grootste gedeelte van de presentatie zal gaan over de mogelijkheden, moeilijkheden, verwachtingen en onderzoek uitdagingen die voor ons liggen op weg naar 2050. De mogelijke ontwikkelingen worden in beeld gebracht door de animatie ‘2050 – een Energieke Ontdekkingsreis’, gemaakt door o.a. TU-D em. HL Dirk Sijmons voor de Internationale Architectuur Biënnale Rotterdam in 2016. Wind op zee is sterk in kosten gedaald en kan naar verwachting zeer spoedig zonder subsidie. Dit opent mogelijkheden voor nieuwe toepassingen van windenergie zoals het maken van synthetische brandstof, en nieuwe manieren van inpassing in het net. Ook zullen enkele voorbeelden van onderzoek uitdagingen de revue passeren. Deze uitdagingen zijn in 2016 gepubliceerd door European Academy of Wind Energy op 11 vakgebieden, van nieuwe materialen voor de bladen tot aspecten als lange termijn maatschappelijke inbedding.

Informatie over de spreker, prof.dr.ir. G.A.M. van Kuik

Gijs van Kuik studeerde Luchtvaart- en Ruimtevaarttechnologie aan de TU-Delft en begon in 1977 aan deze faculteit als een van de eerste onderzoekers op het vakgebied wind energie. Na 7 jaar TU-D en 4 jaar TU/e voor de promotie volgde 14 jaar bij Stork, steeds in wind energie. De laatste 2 jaar bij Stork was in deeltijd met TU-D waar in 1998 hij hoogleraar Wind energie werd. Naast het leiden van de eigen onderzoeksgroep heeft hij het interfacultaire instituut DUWIND opgezet, waar inmiddels zo’n 40 promovendi aan verbonden zijn verdeeld over 5 faculteiten. Hij is betrokken geweest bij alle landelijke wind energie R&D consortia en programma’s en is nauw betrokken geweest bij de oprichting en het leiden van de European Academy of Wind Energy waarin alle Europese universiteiten met een serieus wind energie programma deelnemen. Per december 2016 is hij met emeritaat.

November 2017

Voordracht van dr. H.J. Langeveld met de titel:

Willem Schermerhorn: een ingenieur in de politiek

Samenvatting van de voordracht:

De presentatie zal uit drie delen bestaan.

1. Het eerste deel gaat over de verhouding tussen Willem Schermerhorn en Anton Mussert. Tijdens hun studie in Delft gingen de beide mannen vriendschappelijk met elkaar om, maar in de jaren dertig kwamen zij diametraal tegenover elkaar te staan, toen Mussert leider was van de NSB, en Schermerhorn voorzitter van Eenheid door Democratie, de belangrijkste anti-NSB-organisatie. 2. Het tweede gedeelte gaat opnieuw over twee Delftse ingenieurs, de broers Willem en Dirk Schermerhorn. Tijdens zijn studie werd Dirk Schermerhorn gewonnen voor het communisme. Op grond van zijn nieuwe levensovertuiging wilde hij een bijdrage leveren aan de opbouw van de Sovjet Unie, waarheen hij in 1924 vertrok. Daar maakte hij als ingenieur snel carrière: in 1931 werd hem de technische leiding van de spoorwegen opgedragen. Gefocust zal worden op de verhouding tussen de beide broers. 3. Tenslotte zal ingegaan worden op de verhouding tussen Willem Schermerhorn en koningin Wilhelmina. Aanvankelijk stond Schermerhorn als premier (19451946) zeer in de gunst bij Wilhelmina, maar door een incident tijdens het jaar waarin Schermerhorn in Indonesië met de Republiek onderhandelde (1946-1947), viel hij op spectaculaire wijze in ongenade.

Informatie over de spreker, dr. H.J. Langeveld

Dr. Herman J. Langeveld studeerde Geschiedenis aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Na zijn afstuderen in 1975 was hij in verschillende functies werkzaam bij de afdeling Nieuwste Geschiedenis van de VU, laatstelijk als universitair hoofddocent. Na zijn vervroegde pensionering was hij verbonden aan het Biografie Instituut van de Rijksuniversiteit Groningen. (2006-2014). Hij promoveerde in 1989 op een proefschrift over de Christelijk-Democratische Unie, 19261946. Tot zijn belangrijkste publicaties behoren een tweedelige biografie van ministerpresident Hendrikus Colijn (1998 en 2004) en de biografie van Willem Schermerhorn (2014), die verscheen onder de titel De man die in de put sprong. Willem Schermerhorn 1894-1977.

September 2017

Voordracht van prof.dr.ir. W.L van der Poel met de titel:

Over de ontwikkeling van de computer in Nederland

Samenvatting van de voordracht:

De presentatie zal uit drie delen bestaan.

1. In het eerste deel wordt aan de hand van illustraties teruggeblikt op de beginjaren van het computertijdperk. Immers, weinigen weten tegenwoordig nog hoe die historische machines er uitzagen. Daaromheen natuurlijk allerlei anekdotes hoe wij zelf kathodebuisgeheugens en magnetische trommels gemaakt hebben, een proces van vallen en opstaan. 2. Vervolgens wordt aandacht gevraagd voor een aantal stellingen over correctheidsbewijzen, aan de hand van een reeks dia’s. Correctheidsbewijzen zijn van belang om de daadwerkelijke numerieke berekenbaarheid van wiskundige grootheden te kunnen aantonen. 3. Tenslotte volgt een beschouwing over Turingmachines, over berekenbaarheid, enz. toegelicht met enkele primitieve calculi die met een minimaal arsenaal aan elementen toch alles kunnen. Ook het begrip negatieve entropie komt daar ter sprake – een begrip waar Gerard ’t Hooft en Erik Verlinde recentelijk mee bezig zijn. Al onder punt 2 werd aangestipt dat het vernietigen van informatie de belangrijkste operatie is in de informatica.


Informatie over de spreker, prof. Van der Poel

Prof.dr.ir. Willem L. van der Poel behaalde zijn ingenieursdiploma in de natuurkunde aan de TH Delft in 1950. Hij promoveerde aan de universiteit van Amsterdam in 1956. In de periode 1950-1967 werkte hij bij het Neher laboratorium van de PTT. Van 1962 tot 1988 was hij hoogleraar aan de TU Delft. Hij is de ontwerper van de Testudo, de PTERA, de ZERO en de ZEBRA computers. Hij leverde bijdragen aan de programmeertalen Algol 68 en LISP voor de ZEBRA. In 1971 werd hij lid van de KNAW en ontving hij een eredoctoraat van de University of Bradford. In 1984 ontving hij de Computer Pioneer Award van de IEEE. Hij geniet internationale faam als Nederlands computerpionier. Ook geniet hij internationale bekendheid als ontwerper en als oplosser van mechanische puzzels. En hij is een toegewijd en actief musicus. 

Mei 2017

Voordracht van prof.ir. W. Patijn met de titel:

Brand en wederopbouw van TUD faculteit Bouwkunde

Samenvatting van de voordracht:

Op 13 mei 2008, de dinsdag na Pinksteren, brandde het gebouw van de faculteit Bouwkunde van de TU Delft geheel af. Er ging veel verloren, maar er deden zich gelukkig geen persoonlijk ongelukken voor. De brand werd een nieuw begin voor Bouwkunde en ook voor de TU. Het maakte veel los. Er moest weer nagedacht worden over wat een faculteitsgebouw zou moeten zijn en er ontstond een prettige verwarring over het idee campus en de relatie met de stad. Het saaie oude hoofdgebouw aan de Julianalaan werd in korte tijd volledig getransformeerd naar een dynamische binnenwereld met een bruisende uitnodigende sfeer. Dat kon alleen ontstaan doordat een aanstekelijk elan bij de betrokken ontwerpers en hun coördinatoren. De brand en de urgentie voor nieuwe huisvesting zetten alle gebruikelijke procedures opzij en haalden de typische universitaire bureaucratie en de rationele bouwprocedure volledig onderuit met een nog steeds verbluffend resultaat.


Informatie over de spreker, prof.ir. W. Patijn

Prof. ir. Wytze Patijn studeerde hij architectuur aan de TU Delft (ir. 1976). Na zijn studie werkte hij als architect bij de Dienst Volkshuisvesting van de gemeente Rotterdam, waar hij betrokken was bij de stadsvernieuwing. In deze functie heeft hij verschillende experimentele woningbouwprojecten gerealiseerd. In 1987 startte hij een architectenbureau onder de naam Wytze Patijn Architecten, dat in 1998 samen ging met Kuiper Compagnons. Van 1993 tot 1995 was hij hoogleraar Architectonisch Ontwerpen aan de TU te Delft. Van 1995 tot einde 2000 was hij Rijksbouwmeester. In 1998 tot januari 2010 verbond hij zich als directeur/architect/stedenbouwkundige aan Kuiper Compagnons, bureau voor Architectuur en Stedenbouw te Rotterdam. Van 2006 tot 2011 was hij decaan van de faculteit Bouwkunde van de Technische Universiteit te Delft, waaraan hij nu nog als gasthoogleraar architectuur verbonden is. Vanaf januari 2011 is hij gevestigd als zelfstandig architect-consultant in Rotterdam. In die functie is hij o.a. stadsbouwmeester van de gemeente Delft en voorzitter van het Q-team van de gemeente Middelburg.

 

April 2017

Voordracht van prof.ir. B. Boon, met de titel:

Van stoomwerktuigfabriek A.F. Smulders tot scheepswerf Gusto: succesvol ondernemen in de 19-de eeuw

Samenvatting van de voordracht:

In de ijzeren (19e) eeuw werden veel bedrijfjes opgericht die dat materiaal toepasten. In het begin waren zij meestal kleinschalig met 10 of minder arbeidskrachten. Gieten, smeden en enkele verspannende bewerkingen (boren, draaien, zagen) waren de belangrijkste gebruikte technieken. In 1862 begon A.F. Smulders een dergelijk bedrijf in ’s Hertogenbosch. Stoommachines en stoomketels behoorden tot zijn belangrijkste producten. Het succesvolle bedrijf breidde gestaag uit; na 10 jaar waren er al ongeveer 100 arbeiders in dienst. Omdat hij vrijwel geen fysieke uitbreidingsmogelijkheden had, greep Smulders zijn kans toen hij in 1872 de Utrechtsche IJzergieterij kon overnemen. In Utrecht zette de groei door en ging men ook andere zaken bouwen zoals diverse machines, bruggen en overkappingen. Echt furore, ook internationaal, werd gemaakt toen de bouw van baggermolens en excavateurs ter hand werd genomen. Teneinde minder afhankelijk te zijn van toeleverende bedrijven kocht Smulders in 1894 een eigen werf in Slikkerveer. Om de voortgaande groei te kunnen accommoderen werd door Smulders en zijn twee zonen in 1905 een volledig nieuwe werf in gebruik genomen in Schiedam, de Werf Gusto. In het begin van de 20e eeuw was dit bedrijf wereldwijd bekend om de baggerschepen die het bouwde en behoorde de familie Smulders tot de meer welvarende in Nederland. Dat alles werd binnen een halve eeuw bereikt. Het is een uitdaging om te begrijpen hoe dit mogelijk was.

Informatie over de spreker, prof.ir. B. Boon:

Bart Boon (1945) is scheepsbouwer en daarnaast geïnteresseerd in geschiedenis. Na zijn studie Scheepsbouwkunde in Delft werkte hij enkele jaren bij de Werf Gusto in Schiedam. Daarbij was hij betrokken bij het ontwerp en de bouw van diverse innovatieve offshore eenheden. Na sluiting van de werf in 1978 bleef hij nog enkele jaren bij het nog steeds bestaande Gusto Engineering. Later bracht hij zijn zo opgedane ervaringen in het ontwerpen van offshore materieel over als hoogleraar aan de TU Delft om zich daarna te concentreren op het vakgebied Constructie en Sterkte van schepen en offshore materieel. Sinds enige tijd probeert hij in samenwerking met verschillende oud-werknemers van de Werf Gusto en Gusto MSC zo veel mogelijk herinneringen aan dat zo bijzondere bedrijf te bewaren voor het nageslacht. Daarbij heeft de vroege geschiedenis van het bedrijf zijn bijzondere aandacht.

Maart 2017

Voordracht gehouden door Rein Reuter en Kees de Jong met titel:

ONGEWONE ZOEKTOCHTEN NAAR INDUSTRIEEL ERFGOED

( zie ook http://uxplorer.eu/index.html/ http://sxale-small.nl/ )

Samenvatting van de voordracht op zaterdag 11 maart 2017: Onze ontdekkingsreizen – Een vertelling met lichtbeelden

Anderen vinden ons twee oude kerels, maar toch beleven wij van alles tijdens onze “ontdekkingsreizen”. Zo noemen wij onze zoektochten naar overblijfselen uit een industrieel verleden. Onze belevenissen komen nu aan de orde. We beginnen altijd met een vraag, want dat zet de aandacht op scherp. Dan de gebruikelijke informatie: wie (zijn we), wat (doen we), waar en hoe (gaan we). Tot slot nog wanneer. Vervolgens iets over fotograferen in het algemeen en in verlaten gebouwen in het bijzonder. Dit vanwege de onvermijdelijke risico’s. Wat u hoort en ziet gaat over onze ontdekkingstochten naar objecten uit vroeger dagen. Of wat daar van over was! Wij zijn begonnen om op de fiets langs de forten van de Stelling van Amsterdam te gaan, maar gaande weg naar verder weg gelegen streken in Duitsland, België en Frankrijk. Al waren we nooit langer dan drie dagen op pad. We (be)zochten wel bij voorkeur objecten, die iets met kolen en staal te maken hadden. Al waren we nog niet bij Iron Bridge, maar Coalbrookdale had wel onze aandacht. Omdat we eigenlijk alle reizen wel wat bijzonders ontdekten, beschikken we over een keur aan verhalen. Niet alleen over allerlei technische objecten, maar ook over de mensen die we aldaar in de buurt tegen het lijf liepen. Samen met de beelden krijgt u; “onze kijk op de wereld”. Tijdens onze tochten zijn we beiden gehecht geraakt aan bepaalde onderwerpen. Dat wil zeggen, daar hebben we veel foto’s van. Die laten we ook zien!

Informatie over de spreker Rein Reuter en zijn compagnon Kees de Jong

Kees en Rein werkten de laatste jaren voor hun pensioen bij “de Zink” in Budel-Dorplein. De enige zinkfabriek in Nederland, die reeds in 1892 werd opgericht. Rein was de chef van de afd. Opleidingen en Kees van de Elektro/Meet&Regel. Al was Rein van huis uit werktuigbouwer, eigenlijk scheepswerktuigkundige, toch spraken ze elkaar regelmatig. Bijvoorbeeld over; Veiligheid. Dit in verband met hun lidmaatschap van de Ondernemingsraad. Beiden zijn rasechte Hollanders, al wonen ze nu in Limburg. Rein’s wieg stond in Delft en die van Kees in Zaandam. Kees wilde eigenlijk kunstschilder worden, maar dat vond zijn vader geen goed idee. “Leer een vak”, was zijn boodschap. En zodoende bezocht Kees de HTS, richting elektrotechniek, in Amsterdam en behaalde in 1965 het diploma. Daarna studeerde hij in de avonduren op de HTSHaarlem computerkunde (1978). Na z’n eerste werkgever GEB-Amsterdam was hij vervolgens werkzaam in leidinggevende technische functies bij Bruynzeel Zaandam, MSD te Haarlem, Van GelderPapier te Velzen-Noord, AMRO-Bank te Amsterdam en Amstelveen, AKZO Nobel te Arnhem en de Zinkfabriek in Budel. Rein ging naar de School voor Scheepswerktuigkundige in Rotterdam. Hij was van ‘63 tot ‘71 in dienst van de KNSM en zag meer dieselmotoren dan vreemde landen. Later werkte hij bij het GEB-Rotterdam en studeerde in de avonduren voor een C-diploma. Met het diploma trok hij naar het Zuiden en ontmoette later Kees bij “ de Zink”. Nu wordt een groot deel van de vrije tijd besteed aan fotograferen met als spin-off foto-exposities en lezingen over de fotoshoot belevenissen.

 

Februari 2017

Samenvatting van de voordracht: Duurzame monumentenzorg

Via restauratie en herstel houden we monumenten zo lang mogelijk in stand. Maar zijn monumenten ook duurzaam in milieutermen? Monumenten lijken niet energiezuinig naar huidige maatstaven. Andersom vormen de huidige energieprestatie-eisen vaak een grote bedreiging voor passend monumentenbehoud. Dat komt doordat energiebesparende maatregelen als gevel- , raam- en dakisolatie, bij onjuiste uitvoering onherroepelijk leiden tot teloorgang van de authenticiteit en cultuurwaarden. Monumentenzorg en Duurzaam Bouwen lijken dus met elkaar in conflict. Maar er zijn ook opmerkelijke overeenkomsten. Beider ambitie is het sparen van leefomgeving en materiaal, in beide gevallen gaat het om lange-termijn doelen en beide vereisen zij maatwerk bij het doorvoeren van maatregelen. Gelukkig zijn er opmerkelijke kansen voor harmonisch samengaan. Het gaat daarbij telkens om maatwerk-per-monument: zowel bij de het vaststellen van de betreffende cultuurhistorische waarden als van de mogelijkheden en beperkingen voor verduurzaming. Ook de uiteindelijk te kiezen oplossingen zijn steeds gebouw-specifiek en gaan vaak in tegen wat monumentwaardenstellers en duurzaam bouwers veronderstellen. Hoe die andere manier er uit ziet en hoe daarbij ook bijzondere analysemethoden zoals die van de thermografie (warmtebeeld-registratie) succesvol zijn in te zetten leert de voordracht.

Informatie over de spreker, ir. E.J. Nusselder.

Ir. Evert Jan Nusselder (1948) is restauratie-architect en bouwhistoricus. Tijdens zijn studie aan de Technische Hogeschool Delft, afdeling Bouwkunde, was hij gedurende 7 jaar de assistent van hoogleraar Restauratie, prof. dr. ir. C.L. Temminck Groll. Aan de studie Bouwkunde-restauratie gingen 2 jaar studie Werktuigbouwkunde vooraf. Van 1981 tot en met 1998 was hij senior-architect/adviseur in het Bureau Rijksbouwmeester (Ministerie van VROM). Vanaf 1998 tot en met 2005 was hij hoofd van de afdeling Instandhoudingstechnologie van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg. Hij was mede-oprichter en bestuurslid van de Stichting Erkenningsregelingen Restauratie en Monumentenbehoud (ERM), koepel voor uitvoerenden in de restauratie. Hij was voorzitter van de Vereniging van Architecten Werkzaam in de Restauratie (VAWR) en is auditeur voor de GEAR-erkenning voor restauratie-architecten. Sinds december 2005 heeft hij een eigen – particulier – ingenieursbureau MONUMENTENZORG. Sinds eind 2014 verdiept hij zich in het nog niet ontwikkelde terrein van monument-specifieke thermografie

 

Januari 2017

Bezoek aan de Elektro Studieverzameling van de TU Delft

 Samenvatting van de voordracht Innovatie”.

Een van de meest gebruikte woorden in de techniek maar misschien ook het minst begrepen. Als innovatie alleen maar “verbetering” betekent, dan zou het een saai woord zijn. Dan zou het alleen maar gaan over verbeteren van wat al bedacht is. De Nipkow televisie markeerde de start van een nieuw tijdperk. Kleurentelevisie kon alleen eerst niet en later wel. Die verbetering was vanaf het begin voorspelbaar. Robots zijn er al heel lang. Kunnen we vanaf nu alleen nog maar verbeteringen verwachten of zijn er technische ontwikkelingen die de toekomst toch weer onvoorspelbaar maken?

Informatie over spreker dr.ir. Chris Verhoeven:

Dr. ir. C.J.M. (Chris) Verhoeven is een universitair hoofddocent bij de afdeling microelektronica aan de Technische Universiteit Delft en parttime werkzaam bij de faculteit Luchtvaart- en Ruimtevaarttechniek. Zijn onderzoekinteresses zijn systematisch analoog ontwerp, RF-circuits, adaptieve radiosystemen, sensor elektronica en avionica voor drones, sondeerraketten en nano-satellieten. Hij is een van de initiatiefnemers voor de bouw van de nog steeds functionerende Delfi-C3 nano-satelliet die in 2008 is gelanceerd. Sinds 2013 geeft Chris Verhoeven samen met Guido de Croon, leiding aan het Zwerm Thema het TU-Delft Robotics Instituut dat onderzoek doet op het gebied van zwermen van onderwater robots, rovers, drones en nano-satellieten en ondersteunt het studenten onderzoek naar bestuurbare sondeerraketten in de Korolev Lab van het instituut. Samen met Andre Schiele geeft hij leiding aan het Space Robotics Thema van het TU-Delft Space Institute, met een focus op micro voortstuwing en ruimtevaartmechatronica.

Informatie over sprekers Han Geijp en Roel Zwetsloot:

J.A. Geijp (Han) is coördinator van de Studieverzameling. Als instrumentmaker kwam hij, na zijn militaire diensttijd bij de KLu, in dienst bij de Optische Industrie (Old Delft) en in 1967 bij de faculteit Elektrotechniek. In die periode heeft hij als vormgever en illustrator in z’n vrijetijd een aandeel gehad bij de publicatie van een aantal boeken van de TU-Delft, zoals “De energieke wereld van Elektrotechniek”, “Elektro“ 25 jaar Mekelweg”, “Spanning” en “Koken met bloemen en kruiden uit de botanische tuin”. Hij is mede oprichter en vice-voorzitter van de stichting historisch genootschap “De Blauwe Tram”. Sinds de beëindiging van zijn 40-jarige dienstverband met de TU Delft zet hij zich volledig in voor de Elektro Studieverzameling. In het kort geeft Han de geschiedenis weer van de Elektro Studieverzameling. Hij zal de vrijwilligers aan ons voorstellen. Op de wekelijkse bijeenkomsten wordt door hen het verworven erfgoed geregistreerd en waar nodig op vakkundige wijze gerestaureerd en geconserveerd.

Roel Zwetsloot is student Elektrotechniek aan de TU Delft. Hij zet zich in voor de Studieverzameling, met speciale aandacht voor de collectie elektronenbuizen.

December 2016

ir. B.C. Root, met titel:

Rond de wereld met professor Vening Meinesz en het Gouden Kalf aan boord van de Hr. Ms. K-XVIII

Samenvatting van de voordracht op zaterdag 17 december 2016:

Op een koude winterdag, 21 november 1934, zette professor Vening Meinesz zijn slinger apparaat aan. Een paar minuten eerder dook de onderzeeboot, de Harer Majesteit K-XVIII, naar een diepte van 30 meter. Deze observatie zou de 500ste meting worden van een lange reeks observaties. De nieuwe dataset zou veel nieuwe mysteries over onze planeet helpen ontrafelen. Deze expeditie was het grootste onderdeel van het levenswerk van Vening Meinesz dat gepubliceerd is in wetenschappelijke artikelen gebundeld in vier volumes: ‘Gravity Expeditions at Sea’. De professor nam tijdens de expedities zijn speciaal ontworpen slinger apparaat mee, ook wel ‘Het Gouden Kalf’ genoemd. Tijdens het begin van 1900 was het zwaartekrachtsveld van de aarde alleen gemeten op land. Het klassieke enkel-slinger instrument had een stabiele ondergrond nodig. Dit was niet haalbaar op schepen. Hierdoor was 73 procent van het zwaartekrachtsveld op aarde nog onbekend voor de geodetische gemeenschap. Een jonge civiele ingenieur van de Technische Hogeschool in Delft zou daar verandering in brengen. Na zijn promotie (met lof) aan de TH Delft in maart 1915 kreeg de jonge doctor Felix Andries Vening Meinesz de taak van de Rijkscommissie voor Graadmeting om het eerste Nederlandse zwaartekrachtreferentie-netwerk op te zetten. Voor dit project had hij een instrument nodig dat het zwaartekrachtsveld met de hoogste nauwkeurigheid kon bepalen. Dit apparaat bleek zo effectief te zijn in het verwijderen van externe beweging uit de metingen dat Vening Meinesz besloot het in onderzeeboten te gebruiken. Dit opende de mogelijkheid voor oceanografisch zwaartekracht onderzoek, wat leidde tot vele ontdekkingen voor de theorie van plaat tektoniek. Tijdens deze presentatie zult u Vening Meinesz, samen met kaptein Hetterschij en zijn bemanning, volgen aan boord van de Harer Majesteit K-XVIII. Van Den Helder tot Surabaya voeren zij langs en over interessante geologische en geodetisch locaties en leren wij hoe Venig Meinesz met zwaartekrachtsmetingen de vorm van de aarde kon bepalen. Gaat u mee op dit avontuur over de oceanen van onze aarde?

Informatie over de spreker, ir. B.C. Root:

Bart Root behaalde zijn Master diploma aan de TUDelft op de faculteit Luchtvaart- en ruimtevaart technologie in 2012. Zijn master thesis was getiteld, Validating and improving the orbit determination of Cryosat-2. Tijdens zijn studies heeft hij ook bij EADS Astrium in Friedrichshafen, Duitsland gewerkt aan de vluchtsimulator en post-processing software van ESA’s SWARM missie. Cryosat-2 en SWARM waren beiden aardgerichte onderzoeksatellieten. Geïnspireerd door aardgericht satelliet onderzoek, startte hij zijn promotie in hetzelfde jaar bij de groep Astrodynamics and Space Missions, TU Delft. Het NWO-gesponsord onderzoeksvoorstel heette: Lithospheric and Upper Mantle Structures in Northwestern Europe derived by Satellite Gravimetry. Het doel van dit onderzoek is om globaal (satelliet) zwaartekrachtdata te combineren met seismische modellen van de ondergrond, om zo beter de beweging van onze aardkorst door postglaciale opheffing te voorspellen. Hij hoopt dit werk binnen enkele maanden te kunnen verdedigen voor een promotie commissie. Tijdens zijn tijd als promovendus heeft hij ook gewerkt aan een historisch en technologisch erfgoed project, een initiatief van de Bibliotheek van de TU Delft. Dat project beschrijft het werk van professor Vening Meinesz aan boord van de K-XVIII. Enkele resultaten kunnen worden bekeken op de informatieve website http://expeditiewikipedia.nl/#vening-meinesz

November 2016

Symposium: Canon van de Nederlandse brug – 2000 jaar brughistorie

Datum: zaterdag 12 november 2016.

Plaats: Science Centre van de TU Delft, Mijnbouwstraat 120, 2628 RX Delft.

Programma:

  • 10.30 uur: Gebouw open; ontvangst met koffie.
  • 11:00 uur: Welkom door de dagvoorzitter Rob Lutke Schipholt, directeur van de Nederlandse Bruggenstichting
  • 11.15 uur :  Met 7-mijlslaarzen door 2000 jaar Nederlandse brughistorie – door Frans Remery (oud-medewerker RWS en vrijwilliger Nederlandse  Bruggenstichting). Twintig eeuwen worden er al bruggen in ons land gebouwd, eerst door de Romeinen, daarna door onze voorouders en nu door ons. De bouwmaterialen veranderden van hout en (bak)steen naar staal en beton en zelfs kunststoffen. De opkomst van vervoermiddelen als treinen en auto’s stimuleerde belangrijke ontwikkelingen in de bruggenbouw. Elektriciteit verving menskracht bij aandrijving, regeling en bediening van beweegbare bruggen en de vormgeving van bruggen kreeg bijzondere aandacht.
  • 12.00 uur: Pauze. met koffie/thee
  • 12:30 uur: De alpha-kant van bruggen – door Herman Pleij, emeritus hoogleraar Historische Nederlandse letterkunde, gespecialiseerd in de literatuur van de Middeleeuwen. Geen enkel bouwwerk in onze nederzettingsgeschiedenis heeft zoveel aanleiding gegeven tot beeldspraak als de brug. Dat lijkt voor de hand te liggen in een waterrijk land. Een bruggenbouwer weet te verbinden wat elkaar liever lijkt te mijden. Wij zijn immers zeer decentraal ingesteld en richten ons bestaan graag zo autonoom mogelijk in. Is een brug dan niet eerder een noodzakelijk kwaad? En hoe kan dan een bruggenbouwer tot de meest gewaardeerde landgenoten behoren?
  • 13.00 uur: Uitreiking eerste exemplaar van de Canon van de Nederlandse Brug door Fred Westenberg, voorzitter van de Nederlandse Bruggenstichting aan de voorzitter van de vereniging Histechnica, Geert Jan Olsder en aan de voorzitter van de KIVI afdeling Geschiedenis der Techniek, Gert Jan Luijendijk.
  • 13.15 uur: Sluiting van de bijeenkomst door de dagvoorzitter
  • 13.20 uur: Eenvoudige broodjeslunch met koffie/thee/fris
  • 14.15 uur: Einde bijeenkomst.

Het boek:  CANON VAN DE NEDERLANDSE BRUG 2000 JAAR BRUGHISTORIE

De techniek van de bruggenbouw in Nederland heeft een grote ontwikkeling meegemaakt. Niet alleen in het type brug (vast, beweegbaar), maar ook in de toegepaste materialen (hout, steen, ijzer, staal, gewapend beton, voorgespannen beton, aluminium en kunststof).
Om al deze ontwikkelingen in een historisch perspectief te plaatsen, is de ‘Canon van de Nederlandse brug’ geschreven. Die begint bij doorwaadbare plaatsen in rivieren en waterlopen, beschrijft vervolgens houten ophaalbruggen, vaste stenen bruggen, de toepassing van ijzer voor de eerste grote spoorbruggen en het gebruik van beton voor verkeersbruggen en viaducten. Er wordt aandacht besteed aan de wijze waarop beweegbare bruggen functioneren en hoe de bediening is georganiseerd. Bruggen moeten niet alleen constructief hun mannetje staan, ook de vormgeving is van belang. In de huidige tijd is de rol van de architect steeds dominanter geworden.
Deze ‘Canon van de Nederlandse Brug’ omvat 43 vensters en leidt tot een beter begrip en inzicht in 20 eeuwen ontwikkeling in het functioneren van bruggen. Voor het gemak spreken we over bruggen, maar het gaat evengoed over viaducten (bruggen over wegen), ecoducten (bruggen voor de fauna) en aquaducten.Het beeldmateriaal in de Canon speelt een belangrijke rol, niet alleen als toelichting op de tekst, maar ook om de visuele aantrekkelijkheid van veel bruggen te benadrukken.

Gebonden uitgave 240 x 216 mm, 224 pagina’s 350 illustraties, waarvan de meeste in kleur. ISBN 978-90-72830-96-8 12 november 2016. Uitgave: Bouwen met Staal (Zoetermeer) in samenwerking met de Nederlandse Bruggenstichting (Rijswijk).
Nederlandse Bruggenstichting, Lange Kleiweg 34, 2288 GK Rijswijk, tel. 088 7970727, info@bruggenstichting.nl www.bruggenstichting.nl

Oktober 2016

De baksteenindustrie in Nederland na 1850

Door de heer R.A.J. Vermeulen (Stichting Historie Grofkeramiek SHG).

Samenvatting van de voordracht op zaterdag 8 oktober 2016: De baksteenindustrie in Nederland na 1850 van steenbakkersambacht tot moderne procesindustrie

Het waren de Romeinen welke het steenbakkersambacht rond 60 AD naar ons land brachten. Op de Holdeurn bij Berg en Dal exploiteerden het Tiende Legioen de grootste steenbakkerij in onze streken in die tijd. Met de terugtocht van de Romeinen in de derde eeuw verdween ook het ambacht, om pas weer rond 1150 AD weer opnieuw in ons land geïntroduceerd te worden door de Cisterciënzer monniken. Lang vormden steenbakkerijen een karakteristiek beeld in het landschap. Langs de rivieren waren het de schoorstenen die de steenovens markeerden. Tussen Haastrecht en IJsselmonde waren ooit meer dan 30 steenbakkerijen in vol bedrijf. Rond 1850 telde Nederland bijna 470 steenbakkerijen, waar de stenen in seizoenarbeid werden vervaardigd. Al eeuwen lang geschiedde dit al min of meer volgens hetzelfde proces, zonder spectaculaire veranderingen. Stenen met de hand gevormd, op banen en hagen gedroogd om te worden afgebakken in veldbranden veldovens. Steenbakkerijen waar arbeidersgezinnen met noeste arbeid een schamel inkomen vergaarden. Zwaar werk en lange werkdagen waren de kenmerken op een steenfabriek. Met de intrede van de industriële revolutie vinden er grote veranderingen plaats en zien we in nog geen 100 jaar het steenbakkerambacht veranderen in een moderne procesindustrie. Ging vroeger een steen tientallen keren door de hand gedurende de productie, tegenwoordig is het de metselaar die de steen vaak als eerste met de hand aanraakt. De voordracht wordt afgesloten met een film uit 1937 van de toen al sterk verouderde steenfabriek “De Spreeuwenhoek” in Ouderkerk aan de IJssel.

Informatie over de spreker, Rob A. J. Vermeulen:

Rob Vermeulen is 2005 bestuurslid van de Stichting Historie Grofkeramiek SHG. Hij houdt zich intensief bezig met de toepassing, historie, productie en onderzoek van baksteen en grof bouwkeramiek. Staat landelijk bekend als expert voor restauratie en renovatie van dit mooie materiaal. Verder is hij verwoed verzamelaar van Nederlandse bakstenen met merk- of naamindrukken. Hij bezit hiervan een fraaie en goed gedocumenteerde collectie welke als wisseltentoonstelling, via musea en oudheidskamers, door het land gaat. Waarschijnlijk bezit hij de meest uitgebreide databank met namen en locaties van Nederlandse steenfabrieken van nu en weleer. Daarnaast is hij een zeer actief, amateur historicus en auteur op het gebied van de grofkeramiek. Hij heeft dan al ook vele publicaties en boekwerken op zijn naam staan. In 2009 presenteerde hij voor de SHG de digitale encyclopedie van grofkeramisch Nederland.

Juni  2016

Rondleiding DREAM HALL van de TU Delft

Voordracht met rondleiding in de fameuze “DREAM HALL” van de Technische Universiteit te Delft, onder de algemene leiding van ing. F.P.M. van der Meijden.

Samenvatting van het bezoek aan de Dream Hall van de TU Delft op zaterdag 11 juni 2016: D:DREAM Hall; kweekvijver van topingenieurs

Passie-gedreven onderwijs of zelfs obsessie gedreven? Of de meest nuttige vorm van studieontwijkend gedrag? Feit blijft dat jaarlijks honderden studenten gretig hun tijd steken in het realiseren van studentenprojecten waarvoor zij geen reguliere studiepunten krijgen.
Wat drijft hen en waardoor zijn zij zo succesvol? Om die vraag te beantwoorden gaan we in gedachte ruim 15 jaar terug in de tijd. Twee studenten zochten een technische uitdaging waarin zij de stof van de in hun ogen nogal theoretische studies in de praktijk konden brengen. Het eerste Nuon Solar Team was geboren. Aanvankelijk weggestopt in ongebruikte kelderruimten startten na het succes van de eerste Nuna zonneauto meerdere studententeams en wederom met groot succes…
Innovatief was dat de studentenprojecten door studenten werden geïnitieerd en waarbij de studenten van begin tot eind “in control” en “probleem eigenaar” zijn. Het bleek een succesvolle formule.
Inmiddels heeft de TU Delft deze vorm van studentenprojecten omarmd met beschikbaar stelling van de prima geoutilleerde werkplaats D:DREAM Hall (D:DREAM = Dagdroom, Delft Dream Realisation of Extremely Advanced Machines.)
Tijdens de voordracht en rondleiding van zaterdag 11 juni wordt u even ondergedompeld in een ander wereld. Een wereld van techniekstudenten die geen grenzen kennen. Die met passie vertellen over zweeftreinen die met de snelheid van het geluid door vacuümbuizen schieten, exo skeletten die mensen met een dwarslaesie weer laten lopen, door spierkracht aangedreven onderzeeërs, racewagens op waterstof, voertuigen die met ca. 10 liter brandstof om de wereld kunnen rijden, fietsen die sneller zijn dan menig stadsauto, enz., enz. Onmogelijk denkt u? Dan is het voor u zeker de moeite waard om op 11 juni langs te komen. Want niet alleen vertellen de studenten met passie over hun projecten, u kunt ze die dag ook allemaal zelf bekijken!
Om logistieke redenen moeten wij de deelname van leden van Histechnica en van leden van KIVI afdeling Geschiedenis der Techniek beperken tot 60. Wij vragen uw begrip hiervoor.

Informatie over de spreker, ing. F.P.M. van der Meijden
Frans van der Meijden is in 1992 als elektronicus afgestudeerd en is pas sinds 2014 manager van de D:DREAM Hall, maar hij heeft een historie van 25 jaar bij de TU Delft.
Ooit bij de vakgroep Transport Technologie van de TUD faculteit 3mE / Werktuigbouwkunde begonnen als hoofd GIRA ofwel Groep Instrumentatie Rekenen en Automatisering heeft hij zich achtereenvolgens verdienstelijk gemaakt als hoofd ICT, hoofd Marketing en Communicatie bij verschillende faculteiten, projectleider e-Learning en onderwijsvernieuwing en hoofd onderwijs- en studentenzaken bij de TUD faculteit 3mE.
Vanaf de zijlijn heeft hij vanaf het begin de D:DREAM studentenprojecten gevolgd.

 

April 2016

Voordracht te houden door ir. F.J. Remery (oud-medewerker RWS), met titel: BRUGGEN IN NEDERLAND IN HISTORISCH PERSPECTIEF

Samenvatting van de voordracht op zaterdag 9 april 2016:

Voor wie met open oog door Nederland reist valt veel opmerkelijks te zien op het gebied van de weg- en waterinfrastructuur. De combinatie water, rail en weg, en dat alles in een dicht patroon, leidt op veel plaatsen tot opvallende bouwkundige hoogstandjes om een veilige passage van verkeersstromen mogelijk te maken. We komen onder de indruk van de stoere bruggen over de grote rivieren, vaak met een monumentaal karakter, maar ook charmante brugjes over verstilde grachten in het stadshart en gebouwd in een ver verleden, kunnen op bewonderaars rekenen. Niet voor niets worden bruggen, net als sluizen overigens, aangeduid met de algemene term ‘kunstwerken’. Daar waar de waardering een algemeen karakter heeft gekregen, kunnen dergelijke ‘kunstwerken’ een gemeentelijke, provinciale of rijksmonumentstatus verkrijgen. Zo’n status is in veel gevallen een garantie voor behoud en daarmee voor verantwoord onderhoud en, zo nodig, herstel.
Nu is een brug die we op een bepaalde locatie zien, daar vaak niet de eerste: er ging een andere brug aan vooraf, en vaak nog één, en nog één. Zo ontstaat een bruggengeschiedenis die veelal niet meer is af te lezen aan de huidige brug, maar waarvan wel beelden bewaard zijn gebleven, in oude foto’s, tekeningen en schilderijen. Als ‘voorouders’ van de huidige bruggen, schetsen zulke bruggen een beeld van de tijd en van de ontwikkelingen in de bruggenbouw. Ook in onze tijd gaat de ontwikkeling door en zien wij dat bruggen de openbare ruimte door hun vormgeving niet alleen op een praktische, maar evenzeer op een esthetische manier kunnen vullen.
In de voordracht wordt aandacht besteed aan de ontwikkeling van de techniek van het bouwen van bruggen in de loop van de eeuwen, tot in onze tijd.

Informatie over de spreker ir. F.J. Remery:

Frans Remery studeerde werktuigbouwkunde aan de Technische Hogeschool in Delft waar hij in 1965 afstudeerde bij de vakgroep Verbrandingsmotoren en Gasturbines. Na een korte periode bij Werkspoor in Amsterdam en de Koninklijke Luchtmacht was hij vele jaren werkzaam bij de Directie Bruggen, later de Bouwdienst van Rijkswaterstaat. In de tijd dat Rijkswaterstaat nog alles zelf ontwierp, werkte hij aan het ontwerp van de werktuigkundige installaties voor de kunstwerken die toen werden gebouwd. O.a. was hij verantwoordelijk voor het ontwerp van het bewegingssysteem van de schuiven van de Oosterscheldekering en de renovatie van het sluizencomplex in IJmuiden. Tussendoor verbleef hij enkele jaren in RD Congo, waar hij de bevolking hielp bij de bouw van bruggen. In de loop van de jaren adviseerde hij geregeld bij buitenlandse projecten op het gebied van sluizen en gemalen. Als vrijwilliger bij de Nederlandse Bruggenstichting kreeg hij belangstelling voor de geschiedenis van de bruggenbouw in Nederland. Deze stichting verzamelt en bewaart kennis van bruggen in Nederland, adviseert bij de bepaling van de monumentwaarde van bruggen als industrieel erfgoed, geeft een tijdschrift uit over bruggen en publiceert boeken over de geschiedenis van bruggen en bruggenbouw.

 

Maart 2016

Voordracht  ing. W. de Wit, met titel: Historie en ontwikkeling van Hoogovens IJmuiden

Samenvatting van de voordracht op zaterdag 12 maart  2016: 

Hoogovens1_mrt_2016

Een staalbedrijf in Nederland, een land zonder ertsmijnen, maar wel met kolenmijnen. Echter dan starten aan de kust. Waarom dan wel en hoe heeft zich dat in de tijd ontwikkeld? Waar is het mee begonnen wie waren belangrijk voor de start, werd er al direct staal gemaakt, wanneer kwamen de walserijen en de verdere verwerkingsfabrieken? Wat was de invloed van de Tweede Wereldoorlog en wat was de invloed van technologie op productiegrootte en personeels-ontwikkeling? Welke technologieën speelden een rol en welke rol speelde de wereld staalproductie? Waarom fuseren tot Corus en nu is het zelfs Tata Steel?

Hoewel dit een heel breed spectrum van invloeden is en de beschikbare tijd vast niet voldoende zal zijn, hoop ik u toch een goed beeld te kunnen geven van het Staalbedrijf IJmuiden door de jaren heen. Ondersteund door een presentatie met foto’s, schema’ s en stukjes film.

Informatie over de spreker, ing. W. de Wit:

Wim de Wit studeerde elektrotechniek aan de HTS te Den Haag. Hij studeerde af in 1965. Als medewerker van Rietschoten en Houwens kwam hij in 1967 te werk bij de uitbreidingen van KNHS en was hij betrokken bij de bouw en het opstarten van Warmbandwalserij 2. In 1969 kwam hij in dienst van KNHS en werd ingeschakeld bij bouw en inbedrijfstelling van Koudbandwalserij 2.
Na een aantal functies bij andere walserijen kreeg hij een functie als onderhoud chef van een algemene elektrotechnische onderhoudsafdeling. Deze beheerde o.a. alle liften over het gehele bedrijf, verzorgde de gehele bedrijfsterreinverlichting en alle elektrotechnische installaties van niet productie-gebonden gebouwen, zoals algemene werkplaatsen, laboratoria, rekencentrum en kantoren. Dit zorgde er tevens voor dat hij een grote kennis op kon bouwen van de verschillende facetten van een geïntegreerd staalbedrijf.
Na een korte adviseringsperiode in Mexico (1992 – 1995), tijdens welke in IJmuiden een grote reorganisatie werd doorgevoerd, kon hij een functie krijgen bij de afdeling public relations om bedrijfsbezoeken te begeleiden. In deze periode kwam hij in aanraking en ging meedoen met een groep personeelsleden die zich bezig hield met het industriële erfgoed van Hoogovens. Na zijn pensionering van het bedrijf in 2001, toen nog Corus geheten, bleef hij betrokken bij het industriële erfgoed en als vice voorzitter van de inmiddels opgerichte Stichting Industrieel Erfgoed Hoogovens (SIEHO) heeft hij hard getrokken aan de realisatie van het Hoogovensmuseum dat in 2009 officieel werd geopend en nog steeds – nu door Tata Steel – wordt ondersteund. Hij is er nog altijd bij betrokken, zij het niet meer in een bestuursfunctie.

 

Februari 2016

Voordracht  drs. J.J. Havelaar, met titel: DEN HAAG INDUSTRIESTAD

Samenvatting van de voordracht op zaterdag 13 februari 2016: 

Een titel die voor velen nog steeds de wenkbrauwen doet fronsen, maar toch … er zijn gegevens genoeg voor om dit te onderbouwen.  Wat denkt u van het eerste geplande industriegebied van Nederland in de Haagse Laakhaven, de zesde metaalnijverheidstad van ons land, radiostad – met de eerste wereldwijde uitzending in 1919 uit de Beukstraat – de ontwikkeling van de plaatradiator, de productie van de eerste autogordel in Europa, de productie van de Solex voor de Nederlandse markt… en zo zijn er nog meer voorbeelden te noemen. Den Haag heeft een rijk industrieel verleden met bijzondere fabrieken, utilitaire bouwwerken en industriehavens.

Bij deze lezing wordt ingegaan op de industriële ontwikkeling van de stad met industrieën als ijzergieterijen, meubelfabrieken, voedingsmiddelen industrie, maar ook op de stedenbouwkundige consequenties hiervan. Van een historische binnenstadshaven naar het eerste moderne industrieterrein annex haven, de Laakhaven en de latere Binckhorsthaven. Ook wordt ingegaan op de activiteiten van de Stichting Haags Industrieel Erfgoed (SHIE), die sinds 1993 actief is in de regio Den Haag om het industriële verleden voor het voetlicht te brengen. De SHIE gaf diverse publicaties uit over onder meer De Oude Haven van Den Haag, de Zuivelindustrie, Haagse ondernemers en hergebruik van industrieel erfgoed. Daarnaast is de SHIE betrokken geweest bij diverse tentoonstellingen en werden verschillende routes samengesteld langs industrieel erfgoed. Ook werden projecten geïnitieerd als “Muurvlakte te Huur” (restauratie van geschilderde muurreclames), economische geschiedenis van Den Haag en in 2015 het project “Made in The Hague – Jaar van het Industrieel Erfgoed”. Lezingen, rondleidingen en presentaties maken onderdeel uit van het uitdragen van het thema industrieel erfgoed.

Er wordt veel onderzoek gedaan naar een grote diversiteit aan thema’s en bedrijven. Dit onderzoek wordt gepubliceerd in het kwartaalbulletin van de stichting: Haagvaarder en op de eigen website (www.shie.nl) o.a. in de rubriek ‘Echo’s van de werkvloer’. In voorbereiding is een website, in samenwerking met het Haags Gemeentearchief, over historische Haagse bedrijven. Met dit alles levert de SHIE zicht op een breed landschap van het historische industriële erfgoed.

Informatie over de spreker, drs. J.J. Havelaar:
Koos Havelaar is kunsthistoricus en sinds zijn afstuderen in 1983 aan de Rijksuniversiteit Leiden als onderzoeker actief op diverse gebieden, met als belangrijkste invalshoek het industrieel erfgoed. Het onderzoek betreft veelal Den Haag en directe omgeving. Het resulteerde in een diversiteit aan publicaties. De belangrijksten daarvan zijn: ‘Als men met de Trekschuiten van Delf den Hage inkomt…’, De oude haven van Den Haag, De metaalpletterij en ijzergieterij L.I. Enthoven & Co, De Laakhaven.
Beeld van een industrielandschap, De Binckhorst, bedrijventerrein in beweging, en Nieuw in Oud. 20 jaar herbestemming Haags industrieel erfgoed.
Koos Havelaar is één van de oprichters van de SHIE en sinds de oprichting voorzitter. Hij geeft leiding aan de diverse projecten van de stichting, zoals afgelopen jaar bij het project “Made in The Hague” waarbij een breed publiek kennis kon maken met het industriële verleden van de stad.

Januari 2016

Voordracht door ir. P.S. Heerema (Allseas Engineering BV)

Nederland pionier in de offshore techniek

Samenvatting  van de voordracht op zaterdag 9 januari 2016:

De wieg van de Offshore, ofwel het winnen van olie en gas op zee, ligt in de Golf van Mexico. In 1947 wordt de eerste put geboord vanaf een platform in nog geen 5 meter waterdiepte. Bijna 70 jaar later worden velden ontwikkeld in de meest afgelegen en barre gebieden ter wereld, veelal in extreme waterdieptes van duizenden meters. In het begin van de zestiger jaren worden de eerste olie- en gasvelden in de Noordzee ontdekt. De Noordzee, met haar korte zomers en barre winters, blijkt een ruig gebied met veel meer slecht weer en hoge golven. Het materieel uit de Verenigde Staten, veelal bestaand uit platte bakken, voldoet niet en de productiviteit is laag.
Nederland, met de eeuwenoude kennis van water en bagger, de goede ligging en haar vernieuwingsdrift, is de ideale kandidaat om deze leemte te vullen. De zeventiger jaren worden gekenmerkt door vernieuwing, waar vooral op installatiegebied grote stappen voorwaarts worden gemaakt. De grootvader van de spreker is met zijn bedrijf Heerema een drijvende kracht hierachter. Na een reeks succesvolle kraanschepen bedenkt hij het revolutionaire concept voor twee half afzinkbare (“semi-submersible”) kraanschepen met veel grotere hijscapaciteit en stabiliteit. Deze ontwikkeling opent de deuren voor nog grotere, diepere en zwaardere ontwikkelingen in de Noordelijke Noordzee en binnen een paar jaar zijn conventionele kraanschepen veelal uit de vaart. Het concept blijft meer dan 30 jaar de standaard. Een andere speler in deze tijd is Netherlands Offshore Company, een consortium van bouw- en baggerbedrijven. Oliemaatschappij Shell besluit zelf een pijplegschip te ontwikkelen in samenwerking met Esso, om betere werkbaarheid en vernieuwing te forceren in deze tak van de industrie. Andere partijen die een belangrijke rol spelen zijn Gusto en de grote scheeps- en materieelbouwers in Rotterdam. In de laatste decennia van de 20e eeuw kenmerken veel nieuwkomers de ontwikkeling van de Nederlandse Offshore, onder anderen Allseas, Fugro, Huisman, Bluewater en Seaway Heavy Lifting.
In de presentatie zal de geschiedenis van de offshore in beeld worden gebracht en zal aandacht worden besteed aan haar ontwikkeling en technische vooruitgang. Daarin speelt ook het bedrijf Allseas een belangrijke rol. In 1985 veranderde Allseas de pijplegindustrie door de introductie van het dynamisch gepositioneerde schip “Lorelay”. Nu, 30 jaar later, staat het aan de vooravond van de revolutionaire introductie van de “Pioneering Spirit”, een schip dat met een compleet nieuw concept veel grotere platforms kan installeren en oude platforms kan ontmantelen.

Informatie over de spreker, ir. P.S. Heerema, MBA:
Pieter Heerema studeerde Werktuigbouwkunde aan de TU Delft waar hij in 2006 cum laude afstudeerde in de afstudeergroep Technische Dynamica. Voorts werkte hij tot medio 2010 bij Philips in Drachten, aan de ontwikkeling van scheerapparaten, als ingenieur en project leider. Hierna begon hij een MBA opleiding bij INSEAD in Fontainebleau, welke hij in juli 2011 succesvol afrondde. Aansluitend startte hij bij Allseas, een toonaangevende aannemer voor het installeren van pijpleidingen en infrastructuur in de Offshore. Na anderhalf jaar veelzijdig engineering werk promoveerde hij tot een directiefunctie als verantwoordelijke voor de uitvoering van Allseas’ projecten offshore. Zijn belangrijkste taak betreft de afbouw van het hef- en pijplegschip “Pioneering Spirit”.

December  2015

Bijeenkomst met voordrachten en rondleidingen in het LOUWMAN MUSEUM te Den Haag.  Hierbij werd met name aandacht geschonken aan de unieke verzameling van historische telescopen van wereldniveau van Ing P.J.K. Louwman. Uiteraard kan men aansluitend de prachtige grote collectie auto’s, koetsen en veel meer bezichtigen.

                          Locatie: Louwman Museum, Leidsestraatweg 57, 2594 BB Den Haag.

Het fraaie moderne gebouw van het Louwman Museum staat goed zichtbaar op de autosnelweg N44 Den Haag – Wassenaar (verlengde Benoordenhoutseweg) aan de rand van Den Haag en Wassenaar; let daar op een bord nabij afrit Duindigt met “Louwman Museum”. Openbaar vervoer vanaf Den Haag CS: bus nr 90. 385 en 386 ; halte Waalsdorperlaan.

Toelichting:

Het Louwman Museum naast het Haagse bos en het paleis Huis ten Bosch zal bij velen al goed bekend zijn. Een bezoek aan het museum (ook zelfs voor de zoveelste keer) is meer dan aan te bevelen. Ook is het museum vernieuwd. Het bijzondere van deze bijeenkomst is dat men de unieke, indrukwekkende historische verzameling van telescopen, verrekijkers en toneelkijkers van Ing. Peter Louwman kan bezichtigen. Honderden zeer oude en unieke telescopen afkomstig uit de gehele wereld is in twee zalen tentoongesteld. Het is een internationale topcollectie van historische telescopen, waarbij zelfs de originele lens van Christiaan Huygens is te zien. Deze zaal is slechts beperkt toegankelijk en wij krijgen op deze zaterdag zelfs voordrachten en toelichtingen van Ing. Louwman zelf.

Daarnaast kunt u ook nog de prachtige topcollectie van voertuigen bezoeken. In het Louwman Museum is een enorme verzameling te zien van auto’s, motoren, koetsen, enige vliegtuigen en andere fraaie objecten zoals auto’s op affiches, porselein, enzovoort. De hoogtepunten uit de autogeschiedenis is tentoongesteld met meer dan 250 antieke en klassieke automobielen. Top merken waaronder Jaguar en Maserati zijn tentoongesteld. De contrasten tussen majestueuze luxe automobielen uit de jaren twintig en dertig tot gezinsauto’s zijn soms scherp. Er zijn aparte zalen voor merken zoals Ferrari.
Ook het gebouw zelf is uniek: de Amerikaanse architect Michael Graves is wereld bekend.

Een aanrader: kijk op de prachtige website www.louwmanmuseum.nl

November 2015

Voordracht door dr.ir. J.F.L. Goosen (TU Delft)

MICROSYSTEMEN: VAN SCIENCE FICTION TOT WERKELIJKHEID

Samenvatting  van de voordracht op zaterdag 14 november 2015:

Mensen zijn al zeer lang gefascineerd door afmetingen. Dit blijkt uit verhalen zoals ‘Gullivers reizen’ (1726), ‘Erik of het klein insectenboek’ (1941), ‘Waldo’ (1942) en de film ‘Fantastic voyage’ (1966). In deze laatste twee wordt gespeculeerd over wat miniatuur apparaten zouden kunnen betekenen voor de medische wetenschap. Op 29 december, 1959 hield de beroemde natuurkundige Richard Feynman een voordracht voor de American Physical Society getiteld; “There’s plenty of room at the bottom”, waarin hij zich afvroeg of het mogelijk zou zijn om machines te maken ter grootte van een zandkorrel en waar die dan voor gebruikt zouden kunnen worden. Een halve eeuw later zijn deze miniatuur machines met onderdelen kleiner dan een cel, een realiteit geworden en worden toegepast in veel van de apparatuur die we dagelijks gebruiken.

Deze voordracht zal ingaan op wat microsystemen eigenlijk zijn en een antwoord geven op de vragen van Feynman. Zo gedragen apparaten op micro schaal zich anders dan wat we gewend zijn in het dagelijks leven. Dit is direct het gevolg van de verandering in afmetingen en hierdoor zitten microsystemen anders in elkaar en kunnen dingen die op grote schaal soms niet mogelijk zijn.
Aangezien traditionele machine fabricage technieken niet in staat zijn om zulke zeer kleine systemen te maken, wordt gebruik gemaakt van dezelfde fabricage technologie die gebruikt wordt voor micro-elektronica. Een korte indruk van deze technologie zal worden gegeven en hoe deze is aangepast om behalve elektronica ook mechanische, optische en andere onderdelen te kunnen produceren.
Tenslotte zullen enkele voorbeelden worden besproken die worden toegepast in auto’s, telefoons en andere apparaten die we dagelijks gebruiken en de mogelijkheden die microsystemen bieden voor de toekomst.

Informatie over de spreker, dr.ir. J.F.L. Goosen:
Hans Goosen studeerde elektrotechniek in Delft waar hij in 1991 afstudeerde. In 1996 promoveerde hij op onderzoek naar een microsysteem voor positionering en de fabricage technologie om deze te maken. Hierna was hij als postdoctoraal onderzoeker betrokken bij de ontwikkeling van micro-sensoren voor medische toepassingen. In 2001 stapte hij over naar de Faculteit 3mE (Werk-tuigbouwkunde, Maritieme techniek en Materiaalkunde). Bij de afdeling ‘Precision and Microsystem Engineering’ houdt hij zich bezig met ontwikkeling van complexe geïntegreerde systemen op microschaal, de afhankelijkheden tussen systeem en het maakproces, en wat er gebeurd als systemen en objecten micro- of zelfs nano-afmetingen bereiken.

Oktober 2015

voordracht van dhr. ing. M.M. van Brummelen

ELECTRISCHE ENERGIE TOEVOER VOOR SPOORWEGTRACTIE: TERUGBLIK EN HEDENDAAGSE UITDAGINGEN

Zo’n 100 jaar geleden werd de eerste bovenleiding in Nederland geïnstalleerd. Dit was op de Hofpleinlijn in 1908, aanvankelijk met 10 kV wisselspanning maar in 1922 al gauw met 1500 V gelijkspanning. Na de Tweede Wereldoorlog was het nodige vernield en stond men voor de keuze om door te gaan met 1500 V DC of om te kiezen voor een andere bovenleidingspanning. Men koos ervoor om door te gaan met 1500 V DC mede omdat dit ruim voorzag in de toenmalige energievraag. Om de zoveel tijd werd deze keuze her overwogen.

Met de opkomst van de wens voor interoperabiliteit werd in Nederland de keuze gemaakt om in te zetten op 25 kV als bovenleidingspanning. De Betuweroute en HSL zijn dan ook voorzien van 25 kV. Ook zijn een aantal baanvakken voorbereid voor 25 kV. Een aantal jaar geleden is deze focus op 25 kV losgelaten naar aanleiding van uitgebreide technische en financiële onderzoeken t.a.v. uitrol over heel Nederland. Momenteel ligt er een advies vanuit de rail branche om een pilot uit te voeren om de tractievoeding om te bouwen naar 3000 V DC zoals ook toegepast wordt door onder andere België. Dit om de energieverliezen terug te dringen, rijtijdwinst te kunnen halen en een duurzame stap te kunnen maken. Is deze pilot succesvol dan zal worden voorgesteld in een aantal stappen het materieel geschikt te maken en de infra om te bouwen naar 3000 V DC.
Voor een beter begrip van het systeem bovenleiding als onderdeel van de tractievoeding zal kort stil worden gestaan bij een aantal basisprincipes.
In het kader van performance verbetering van tractievoeding 1500 V wordt onderzocht welke storingen de meeste hinder veroorzaken voor de reiziger/goederenvervoerder. Dit blijken niet zo vreemd rijdraadbreuken te zijn. Deze hebben een zodanige impact dat een baanvak gemiddeld acht uur buiten dienst is en dus niet gebruikt kan worden voor exploitatie. In het kader van dit onderzoek zijn oorzaken onderzocht en mogelijke beheersmaatregelen bedacht. Een aantal kansrijke mogelijkheden worden besproken op haalbaarheid. Zo zijn er nog meer ontwikkelingen zoals een rol pantograaf in plaats van een sleepstuk. Dit onderzoek verkeerd nog in de studiefase en wordt bij de TU Delft uitgevoerd. Het idee is dat een rol minder last heeft van defecten in de infra. Ter vergelijking: een wiel neemt een stoeprandje makkelijker dan een vierkant blok.
De voordracht beschrijft diverse aspecten op het gebied van bovenleiding in Nederland.

Informatie over de spreker, ing. M. M. van Brummelen:

Michiel Van Brummelen studeerde aan de HTS Fijnmechanische Techniek in Utrecht waar hij in 1999 afstudeerde. Vervolgens ging hij werken bij Arcadis tot 2008 waar hij diverse functies bekleedde. Als laatste was hij specialist bovenleidingsystemen en adviseerde wereldwijd diverse railprojecten t.a.v. keuzes op het gebied van bovenleiding. In die tijd ontwikkelde hij voor ProRail diverse bovenleidingsystemen en stelde verbeteringen voor. Ook deed hij onderzoek naar dynamisch gedrag van bovenleidingsystemen en deed simulaties t.b.v. advies toelating materieel. In 2008 maakte hij de overstap naar ProRail waar hij nu systeemspecialist tractievoeding specifiek bovenleiding is. In die hoedanigheid is zijn blik meer gericht op het meten van de performance van de diverse systemen en componenten en hoe er kosteneffectief een stap vooruit gemaakt kan worden op het gebied van RAMSHEC (Reliability, Availability, Maintainability, Safety, Health, Environment, Cost) waaronder ook restlevensduurbepalingen en duurzaamheid van bovenleiding.

Mei 2015

Voordracht van ing. D.J. Rozema, met titel:

WELKE BESTEMMING VOOR HET ERFGOED LUCHTVAART TECHNIEK? (Verleden, heden en toekomst van het NLR museum in Amsterdam)

Samenvatting:

Zo’n 100 jaar geleden stond de luchtvaart in Nederland nog in de kinderschoenen. De inzet van vliegtuigen voor militaire doeleinden tijdens de Eerste Wereldoorlog maakte duidelijk dat met vliegtuigen een oorlog was te winnen. Deze erkenning betekende voor Nederland o.a. dat serieus moest worden gewerkt aan beproevingen, regelgeving en veiligheid om vliegtuigen formeel luchtwaardig te verklaren. Met de oprichting van de Rijksstudiedienst van de Luchtvaart (1919) en met de aanschaf van onderzoeksfaciliteiten werd dit mogelijk gemaakt. De daar begonnen onderzoeken hebben in de ruim 95 achterliggende jaren geleid tot een modern onderzoeksinstituut, het NLR.

In die periode is een veelheid van erfgoederen vergaard en bewaard door de Stichting Historisch Museum NLR, die vanaf 1985 op het NLR-terrein een bedrijfsmuseum heeft opgebouwd met een archief. Het museum moest zeer recent worden opgedoekt omdat het niet meer paste in de uitstraling van het hedendaagse NLR.

Het accent van het erfgoed ligt op technisch gebied en toont o.a. de technische ontwikkelingen bij het uitvoeren van windtunnelproeven, vliegproeven en materiaalproeven. Deze aspecten zijn niet aanwezig in de huidige Nederlandse luchtvaartmusea en zouden daarom een welkome aanvulling kunnen vormen.

De stichting, die eigenaar is van het erfgoed, is op zoek gegaan naar alternatieve mogelijkheden om het erfgoed toegankelijk te kunnen maken. De lezing beschrijft welke mogelijkheden zijn onderzocht, welke keuzen zijn gemaakt voor de korte termijn en welke strategie is gekozen voor de langere termijn.

Informatie over de spreker, ing. D.J. Rozema:

DirkJan Rozema studeerde aan de HTS Vliegtuigbouwkunde in Haarlem waar hij in 1969 afstudeerde. Na zijn militaire dienstplicht werd hij in 1971 aangesteld bij de afdeling Hefschroefvliegtuigen en speciale onderzoekingen van het Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium NLR in Amsterdam. Zijn eerste onderzoeksproject betrof de vluchtsimulatie van de Fokker P-301, een viermotorige versie van de F.27. Zijn affiniteit met vliegtuigprestaties maakte dat hij werd betrokken bij de ontwikkeling van een rekenmodel voor de bepaling van geluidsbelastingcontouren rond vliegvelden.

In 1983 werd hij als lid van de directiestaf belast met de coördinatie van de projecten uitgevoerd in opdracht van de RLD en KLM. In 1985 volgde zijn benoeming tot manager van de afdeling die verantwoordelijk was voor het “document processing” van het NLR, waarbij hij nauw betrokken was bij de ontwikkeling en uitvoering van de kantoorautomatisering. In een later stadium werd hij tevens belast met het Archief en het Informatiecentrum (opvolger van de NLR bibliotheek).

Het is vooral in de laatste periode waarbij hij in aanraking kwam met de vele oude documenten, foto’s en films die het NLR bewaarde, dat bij hem het besef ontstond dit unieke materiaal te behoeden voor ondergang. In 2000 werd op initiatief van de NLR-directie de Stichting Historisch Museum opgericht, waarvan DirkJan bestuurslid werd en verantwoordelijk werd voor de collectie.

Hij is schrijver van het in 2009 gepubliceerde jubileumboek “Waypoint NLR90YR”, uitgebracht ter gelegenheid van het 90-jarige jubileum van het NLR.

 

April 2015

Voordracht van prof.dr.ir. P. Breedveld

DE WONDERBAARLIJKE REIS VAN ANATOMIE NAAR TECHNOLOGIE (EN WEER TERUG)

In de natuur worden wonderbaarlijke ontwerppaden gevolgd die vaak leiden tot buitengewoon slimme oplossingen die wachten op een technische toepassing. In de Bio-Inspired Technology (BITE) groep van de Faculteit 3mE van de TU Delft wordt de natuur bestudeerd en worden slimme biologische vindingen toegepast in innovatieve chirurgische instrumenten. Uitgaande van de bijzondere anatomie van een tentakel van een inktvis, die is opgebouwd uit een zogenaamd hydrostatisch spierskeletsysteem, is er in het jaar 2004 een stuurbaar kabelkransmechanisme uitgevonden dat zeer geschikt is voor de constructie van stuurbare chirurgische instrumenten. Het kabelkransmechanisme is vanaf 2004 toegepast in een reeks prototypes voor uiterst maneuvreerbare en ultradunne chirurgische instrumenten – in hun soort de dunste en meest beweeglijke ter wereld. De prototypes worden beschermd door een aantal patenten en worden thans verder ontwikkeld voor een breed aantal chirurgische toepassingen variërend van laparoscopie tot neurochirurgie en katheterinterventies. In de voordracht wordt besproken hoe de biologische vinding heeft geleid tot de ontwikkeling van deze instrumenten en hoe ze thans worden gecommercialiseerd. In de voordracht wordt ook aandacht besteed aan de ACCREx methode voor creatief ontwerpen die is ontwikkeld in de BITE-groep. De voordracht zal worden afgesloten met een blik in de toekomst, waarin de huidige technologische begrenzingen worden verlegd door de ontwikkeling van vertakte, dendritische instrumenten voor schedelbasischirurgie. (De voordracht wordt in het Nederlands gehouden.)

Informatie over de spreker, prof.dr.ir. P. Breedveld: Paul Breedveld studied Mechanical Engineering at TU Delft, where he graduated cum laude in 1991. After a PhD on human-machine interfaces for manually controlled space manipulators, which he finished cum laude in 1996, he decided to switch to the medical field and started research on steerable surgical instruments. Sponsored by a prestigious research grant from the Royal Netherlands Academy of Arts and Sciences (KNAW), he continued the research with developing medical devices inspired by clever solutions in nature. Collaborating with a number of academic hospitals, medical companies and technical and biological research groups, the research within his group BITE (Bio-Inspired Technology) has resulted in a number of patents that are being commercialized by a number of (spin-off) companies. Being a member of the BIOKON International Biomimetics Association and having received a number of prizes and awards, his research was rewarded in 2012 with a prestigious VICI research grant on the development of multi-armed dendritic maneuverable instrumentation for endo-nasal skull base surgery, and in 2013 with an Antoni van Leeuwenhoek personal professorship at TU Delft. Being inspired not only by nature but also by clever inventions from mankind, in his spare time, Paul Breedveld is an enthusiastic collector and restorer of historical cameras and mechanical calculating machines.

 

Maart 2015

Voordracht van dr.ir. Arend L. Schwab

DE KUNST EN WETENSCHAP VAN HET FIETSEN, VAN 1817 TOT HEDEN 

Samenvatting van de voordracht:

De Kunst en Wetenschap van het Fietsen, van 1817 tot Heden
Fietsen is iets wat je moet leren; het gaat niet vanzelf. Als de fiets stilstaat valt hij direct om, maar bij een beetje snelheid is hij eenvoudig overeind te houden. Hoe komt dat nu? Dit onderwerp heeft de afgelopen 140 jaar velen bezig gehouden, ofwel voor een proefschrift of als hobby, en soms ook als een compleet levenswerk. Helaas komen weinig resultaten overeen en is er ook nog weinig bekend over de essentiële ingrediënten die een fiets stabiel maken. Ook weten we eigenlijk niet waarom de ene fiets nou zo veel makkelijker te besturen is dan de andere. De dynamica van de fiets en zijn berijder zijn het onderwerp van deze voordracht.

Informatie over de spreker, dr.ir. Arend L. Schwab:
Arend L. Schwab is onderzoeker bij de TU Delft. Hij heeft daar een fietslab. Hij geeft les in de toegepaste mechanica en dynamica van mechanische systemen. Zijn onderzoeksgebied is de dynamica van mechanische systemen met toepassingen in de biomechanica, robotica en voertuigdynamica. Hij heeft een voorkeur voor kleine eenvoudige modellen. De laatste tien jaar heeft hij gewerkt aan wandelende robots, aan de dynamica van de fiets en aan het modelleren van schaatsen en skiën. Zijn werk op het gebied van de dynamica en besturing van de fiets vloeit voort uit een sabbatical jaar in, en een langdurige samenwerking met Andy Ruina van Cornell University, Ithaca, NY.
Meer info op: http://bicycle.tudelft.nl/schwab/

Aanvullende Informatie zie Voordracht fietsonderzoek – nadere informatie

Locomotief

Februari 2015

Voordracht van dhr A.J.W. Pruissen

Met titel: KINDEREN VAN GEORGE STEPHENSON: EEN LOFZANG OP DE KLASSIEKE WERKTUIGBOUWKUNDE – FILMPRESENTATIE DOOR TON PRUISSEN

Samenvatting :

Locomotief
LocomotiefNiet alleen de “Rocket”, maar elke stoomlocomotief is een kind van George Stephenson. In de 19de eeuw betekende zijn schepping het einde van de paardentractie bij de toen al bestaande spoorwegen. Stoomlocomotieven hebben veel overeenkomsten met levende wezens. Net als sommige mensen zijn zij muzikaal begaafd, en zij bewegen zich het liefst voort op de klanken van een symfonieorkest. Moest Antonin Dvořák hieraan denken toen hij de verzuchting slaakte: “voor het uitvinden van de Stoomlocomotief zou ik al mijn symfonieën willen opgeven”?
Suikerfabrieken op Java gebruikten stoomlocomotieven om zware riettreinen naar de fabriek te brengen. Hier werd het riet vermalen in rietmolens, aangedreven door stoommachines. Veel locomotieven en bijna alle stoommachines waren van Nederlands fabricaat: Ducroo & Brauns, Werkspoor, Stork en Fijenoord. Het uitgeperste riet werd gebruikt als brandstof voor de stoommachines en de locomotieven. De film “Sweet Steam” laat u hier uitgebreid van genieten.

Locomotieffabrieken gaven vroeger fotoalbums uit waarin getoond werd met hoeveel toewijding en vakmanschap bij hen een locomotief tot stand kwam. Aan de hand van een aantal van deze foto’s wordt iets over de bouw en werking van de stoomlocomotief verteld.
Bij het revisiebedrijf “ZECO” in Bulawayo krijgen Garratt-locomotieven een grote herstelling. Hier wordt nog handmatig geklonken: gloeiende klinknagels worden met een grote zwaai naar de klinker gegooid. Met twee loopkranen worden locomotieven opgetild en neergezet en, zoals een dirigent een orkest leidt, wordt hier met gebarentaal voor een juiste samenwerking tussen de kraanmachinisten gezorgd.

Informatie over de spreker, de heer A.J.W. Pruissen:

Ton Pruissen kan zich nog goed herinneren hoe hij in 1958 als elfjarig jongetje in Hilversum op straat liep na te denken: waarop moet ik mij nu gaan richten, nu de stoomlocomotief voorgoed verdwenen is: stoomboten of raketten? Gelukkig is het de stoomlocomotief gebleven. Vanaf 1963 volgde hij zijn zwarte vrienden met een filmcamera. Eerst dicht bij huis, maar al spoedig filmde hij locomotieven in het Oostblok, hetgeen niet onopgemerkt bleef bij verschillende geheime diensten. Toch slaagde hij er bijna altijd in de opnamen veilig mee naar huis te nemen. Het onverwachte commerciële succes, begin jaren ’90, van een filmproductie met oude Oostduitse beelden deed hem besluiten van de productie van historische spoorwegfilms zijn beroep te maken. Inmiddels zijn meer dan vijftig titels verschenen, bij verschillende uitgevers. Officieel is hij gepensioneerd. Maar thuis, in zijn kleine maar zeer professionele studio, ontstaan nog steeds nieuwe oude films.

 

Januari 2015

Voordracht van Ir. A. Elsenaar,

met titel:
DOOR DE GELUIDSBARRIĖRE IN DE JAREN VIJFTIG: BOUW, INSTRUMENTATIE EN GEBRUIK VAN DE HOGE SNELHEID WINDTUNNELS VAN HET NATIONAAL LUCHT- EN RUIMTEVAART LABORATORIUM

Geen samenvatting beschikbaar.

December 2014

Voordracht met rondleiding in het WERKSPOOR MUSEUM te Amsterdam.

Plaats: Werkspoor museum, Oostenburgergracht 77, 1018 NC Amsterdam.

Er is geen samenvatting van de voordracht. 

 

November 2014

In november werd het lustrum gevierd. Het gehouden programma vindt u op Histechnica 40Jaar symp 8 nov. Verder kunt u een verslag vinden op de pagina Lustrum.

Oktober 2014

Samenvatting van de voordracht 4 oktober 2014:

Van windkracht naar stoomkracht en van hout naar ijzer en beton in de Zaanse industrie.

In de Zaanstreek, ruwweg het gebied van ongeveer 10 kilomieter aan beide zijden van de Zaan,  ontstond vanaf het begin van de 17de eeuw een vroeg industriegebied gebaseerd op windenergie. Zo’n 1200 windmolens zijn er sinds 1600 gebouwd. Er werd olie geslagen uit oliezaden, papier gemaakt uit lompen, graan gemalen, gerst en rijst gepeld, hennep gebeukt voor de zeildoekindustrie en er werden verfstoffen gemalen. Bijna een eeuw na de uitvindingen van James Watt verdrong de stoomkracht in de windkracht in de Zaanstreek. Daaraan vooraf ging een periode van bijna een halve eeuw van experimenteren. Niet alleen de energievoorziening veranderde, ook de transmissie-systemen, de werktuigen en de gebouwen veranderden. Houten kamwielsystemen werden vervangen door drijfwerken en houten molenschuren werden vervangen door bakstenen gebouwen met gietijzeren kolommen. Later ging beton een rol spelen als constructiemateriaal. Opvallend is de dat de traditionele molenmaker een belangrijke rol speelde in dit transitieproces.

Informatie over de spreker Jur Kingma ( Wormer, 1945), gepensioneerd huisarts.

Hr Kingma was eerder werkzaam als tropenarts in Tanzania. Naast zijn werkzaamheden als huisarts was hij bestuurlijk actief in de geestelijke gezondheidszorg en verslavingszorg. In 1981 was hij medeoprichter van de vereniging tot behoud van monumenten van bedrijf en techniek Zaanstreek. Die vereniging is opgegaan in de Verenging Zaans Erfgoed. Hr Kingma publiceerde op het gebied van de Zaanse industriegeschiedenis en maritieme geschiedenis en is lid van The Newcomen Society (London).

Mei 2014

Geschichte und Technik des Braunkohlenbergbaus in Deutschland unter Berücksichtigung der technischen Entwicklung in der Lausitz, dipl.ing. R. Sahre

Geen presentatie beschikbaar.

 April 2014

Historie van de Ruimtevaart in Nederland, door ir. D. de Hoop.

Zie voor een korte samenvatting van zijn lezing: klik hier.

Maart 2014

Naar aanleiding van de lezing Gebouwd erfgoed in Indonesie gehouden door dhr. C. Passchier op 8 maart j.l., bijgaand de volgende aanvullende informatie:

Kopie van de lezing (PDF): PDF Cor Passchier Delft 8 maart 2014 (2)

Link naar de website van PAC Architecten en Consultants waar meer informatie te vinden is over de architectuur in Indonesie: http://www.pac-nl.org/index.php

Januari 2014

Christiaan Huygens, een veelzijdig geleerde”  door drs T. Cocquyt

Zie voor een korte samenvatting van zijn lezing: klik hier.

 

Juni 2013

Naar aanleiding van de lezing Materialen in de Luchtvaart gehouden door ir. J. Sinke in juni 2013:

Kopie  van de lezing (PDF): Lezing Histechnica

 

Overzichten lezingen voorgaande jaren:

2009

2010

2011

2012

2013