Gehouden lezingen

Mei 2017

Voordracht van prof.ir. W. Patijn met de titel:

Brand en wederopbouw van TUD faculteit Bouwkunde

Samenvatting van de voordracht:

Op 13 mei 2008, de dinsdag na Pinksteren, brandde het gebouw van de faculteit Bouwkunde van de TU Delft geheel af. Er ging veel verloren, maar er deden zich gelukkig geen persoonlijk ongelukken voor. De brand werd een nieuw begin voor Bouwkunde en ook voor de TU. Het maakte veel los. Er moest weer nagedacht worden over wat een faculteitsgebouw zou moeten zijn en er ontstond een prettige verwarring over het idee campus en de relatie met de stad. Het saaie oude hoofdgebouw aan de Julianalaan werd in korte tijd volledig getransformeerd naar een dynamische binnenwereld met een bruisende uitnodigende sfeer. Dat kon alleen ontstaan doordat een aanstekelijk elan bij de betrokken ontwerpers en hun coördinatoren. De brand en de urgentie voor nieuwe huisvesting zetten alle gebruikelijke procedures opzij en haalden de typische universitaire bureaucratie en de rationele bouwprocedure volledig onderuit met een nog steeds verbluffend resultaat.


Informatie over de spreker, prof.ir. W. Patijn

Prof. ir. Wytze Patijn studeerde hij architectuur aan de TU Delft (ir. 1976). Na zijn studie werkte hij als architect bij de Dienst Volkshuisvesting van de gemeente Rotterdam, waar hij betrokken was bij de stadsvernieuwing. In deze functie heeft hij verschillende experimentele woningbouwprojecten gerealiseerd. In 1987 startte hij een architectenbureau onder de naam Wytze Patijn Architecten, dat in 1998 samen ging met Kuiper Compagnons. Van 1993 tot 1995 was hij hoogleraar Architectonisch Ontwerpen aan de TU te Delft. Van 1995 tot einde 2000 was hij Rijksbouwmeester. In 1998 tot januari 2010 verbond hij zich als directeur/architect/stedenbouwkundige aan Kuiper Compagnons, bureau voor Architectuur en Stedenbouw te Rotterdam. Van 2006 tot 2011 was hij decaan van de faculteit Bouwkunde van de Technische Universiteit te Delft, waaraan hij nu nog als gasthoogleraar architectuur verbonden is. Vanaf januari 2011 is hij gevestigd als zelfstandig architect-consultant in Rotterdam. In die functie is hij o.a. stadsbouwmeester van de gemeente Delft en voorzitter van het Q-team van de gemeente Middelburg.

 

April 2017

Voordracht van prof.ir. B. Boon, met de titel:

Van stoomwerktuigfabriek A.F. Smulders tot scheepswerf Gusto: succesvol ondernemen in de 19-de eeuw

Samenvatting van de voordracht:

In de ijzeren (19e) eeuw werden veel bedrijfjes opgericht die dat materiaal toepasten. In het begin waren zij meestal kleinschalig met 10 of minder arbeidskrachten. Gieten, smeden en enkele verspannende bewerkingen (boren, draaien, zagen) waren de belangrijkste gebruikte technieken. In 1862 begon A.F. Smulders een dergelijk bedrijf in ’s Hertogenbosch. Stoommachines en stoomketels behoorden tot zijn belangrijkste producten. Het succesvolle bedrijf breidde gestaag uit; na 10 jaar waren er al ongeveer 100 arbeiders in dienst. Omdat hij vrijwel geen fysieke uitbreidingsmogelijkheden had, greep Smulders zijn kans toen hij in 1872 de Utrechtsche IJzergieterij kon overnemen. In Utrecht zette de groei door en ging men ook andere zaken bouwen zoals diverse machines, bruggen en overkappingen. Echt furore, ook internationaal, werd gemaakt toen de bouw van baggermolens en excavateurs ter hand werd genomen. Teneinde minder afhankelijk te zijn van toeleverende bedrijven kocht Smulders in 1894 een eigen werf in Slikkerveer. Om de voortgaande groei te kunnen accommoderen werd door Smulders en zijn twee zonen in 1905 een volledig nieuwe werf in gebruik genomen in Schiedam, de Werf Gusto. In het begin van de 20e eeuw was dit bedrijf wereldwijd bekend om de baggerschepen die het bouwde en behoorde de familie Smulders tot de meer welvarende in Nederland. Dat alles werd binnen een halve eeuw bereikt. Het is een uitdaging om te begrijpen hoe dit mogelijk was.

Informatie over de spreker, prof.ir. B. Boon:

Bart Boon (1945) is scheepsbouwer en daarnaast geïnteresseerd in geschiedenis. Na zijn studie Scheepsbouwkunde in Delft werkte hij enkele jaren bij de Werf Gusto in Schiedam. Daarbij was hij betrokken bij het ontwerp en de bouw van diverse innovatieve offshore eenheden. Na sluiting van de werf in 1978 bleef hij nog enkele jaren bij het nog steeds bestaande Gusto Engineering. Later bracht hij zijn zo opgedane ervaringen in het ontwerpen van offshore materieel over als hoogleraar aan de TU Delft om zich daarna te concentreren op het vakgebied Constructie en Sterkte van schepen en offshore materieel. Sinds enige tijd probeert hij in samenwerking met verschillende oud-werknemers van de Werf Gusto en Gusto MSC zo veel mogelijk herinneringen aan dat zo bijzondere bedrijf te bewaren voor het nageslacht. Daarbij heeft de vroege geschiedenis van het bedrijf zijn bijzondere aandacht.

Maart 2017

Voordracht gehouden door Rein Reuter en Kees de Jong met titel:

ONGEWONE ZOEKTOCHTEN NAAR INDUSTRIEEL ERFGOED

( zie ook http://uxplorer.eu/index.html/ http://sxale-small.nl/ )

Samenvatting van de voordracht op zaterdag 11 maart 2017: Onze ontdekkingsreizen – Een vertelling met lichtbeelden

Anderen vinden ons twee oude kerels, maar toch beleven wij van alles tijdens onze “ontdekkingsreizen”. Zo noemen wij onze zoektochten naar overblijfselen uit een industrieel verleden. Onze belevenissen komen nu aan de orde. We beginnen altijd met een vraag, want dat zet de aandacht op scherp. Dan de gebruikelijke informatie: wie (zijn we), wat (doen we), waar en hoe (gaan we). Tot slot nog wanneer. Vervolgens iets over fotograferen in het algemeen en in verlaten gebouwen in het bijzonder. Dit vanwege de onvermijdelijke risico’s. Wat u hoort en ziet gaat over onze ontdekkingstochten naar objecten uit vroeger dagen. Of wat daar van over was! Wij zijn begonnen om op de fiets langs de forten van de Stelling van Amsterdam te gaan, maar gaande weg naar verder weg gelegen streken in Duitsland, België en Frankrijk. Al waren we nooit langer dan drie dagen op pad. We (be)zochten wel bij voorkeur objecten, die iets met kolen en staal te maken hadden. Al waren we nog niet bij Iron Bridge, maar Coalbrookdale had wel onze aandacht. Omdat we eigenlijk alle reizen wel wat bijzonders ontdekten, beschikken we over een keur aan verhalen. Niet alleen over allerlei technische objecten, maar ook over de mensen die we aldaar in de buurt tegen het lijf liepen. Samen met de beelden krijgt u; “onze kijk op de wereld”. Tijdens onze tochten zijn we beiden gehecht geraakt aan bepaalde onderwerpen. Dat wil zeggen, daar hebben we veel foto’s van. Die laten we ook zien!

Informatie over de spreker Rein Reuter en zijn compagnon Kees de Jong

Kees en Rein werkten de laatste jaren voor hun pensioen bij “de Zink” in Budel-Dorplein. De enige zinkfabriek in Nederland, die reeds in 1892 werd opgericht. Rein was de chef van de afd. Opleidingen en Kees van de Elektro/Meet&Regel. Al was Rein van huis uit werktuigbouwer, eigenlijk scheepswerktuigkundige, toch spraken ze elkaar regelmatig. Bijvoorbeeld over; Veiligheid. Dit in verband met hun lidmaatschap van de Ondernemingsraad. Beiden zijn rasechte Hollanders, al wonen ze nu in Limburg. Rein’s wieg stond in Delft en die van Kees in Zaandam. Kees wilde eigenlijk kunstschilder worden, maar dat vond zijn vader geen goed idee. “Leer een vak”, was zijn boodschap. En zodoende bezocht Kees de HTS, richting elektrotechniek, in Amsterdam en behaalde in 1965 het diploma. Daarna studeerde hij in de avonduren op de HTSHaarlem computerkunde (1978). Na z’n eerste werkgever GEB-Amsterdam was hij vervolgens werkzaam in leidinggevende technische functies bij Bruynzeel Zaandam, MSD te Haarlem, Van GelderPapier te Velzen-Noord, AMRO-Bank te Amsterdam en Amstelveen, AKZO Nobel te Arnhem en de Zinkfabriek in Budel. Rein ging naar de School voor Scheepswerktuigkundige in Rotterdam. Hij was van ‘63 tot ‘71 in dienst van de KNSM en zag meer dieselmotoren dan vreemde landen. Later werkte hij bij het GEB-Rotterdam en studeerde in de avonduren voor een C-diploma. Met het diploma trok hij naar het Zuiden en ontmoette later Kees bij “ de Zink”. Nu wordt een groot deel van de vrije tijd besteed aan fotograferen met als spin-off foto-exposities en lezingen over de fotoshoot belevenissen.

 

Februari 2017

Samenvatting van de voordracht: Duurzame monumentenzorg

Via restauratie en herstel houden we monumenten zo lang mogelijk in stand. Maar zijn monumenten ook duurzaam in milieutermen? Monumenten lijken niet energiezuinig naar huidige maatstaven. Andersom vormen de huidige energieprestatie-eisen vaak een grote bedreiging voor passend monumentenbehoud. Dat komt doordat energiebesparende maatregelen als gevel- , raam- en dakisolatie, bij onjuiste uitvoering onherroepelijk leiden tot teloorgang van de authenticiteit en cultuurwaarden. Monumentenzorg en Duurzaam Bouwen lijken dus met elkaar in conflict. Maar er zijn ook opmerkelijke overeenkomsten. Beider ambitie is het sparen van leefomgeving en materiaal, in beide gevallen gaat het om lange-termijn doelen en beide vereisen zij maatwerk bij het doorvoeren van maatregelen. Gelukkig zijn er opmerkelijke kansen voor harmonisch samengaan. Het gaat daarbij telkens om maatwerk-per-monument: zowel bij de het vaststellen van de betreffende cultuurhistorische waarden als van de mogelijkheden en beperkingen voor verduurzaming. Ook de uiteindelijk te kiezen oplossingen zijn steeds gebouw-specifiek en gaan vaak in tegen wat monumentwaardenstellers en duurzaam bouwers veronderstellen. Hoe die andere manier er uit ziet en hoe daarbij ook bijzondere analysemethoden zoals die van de thermografie (warmtebeeld-registratie) succesvol zijn in te zetten leert de voordracht.

Informatie over de spreker, ir. E.J. Nusselder.

Ir. Evert Jan Nusselder (1948) is restauratie-architect en bouwhistoricus. Tijdens zijn studie aan de Technische Hogeschool Delft, afdeling Bouwkunde, was hij gedurende 7 jaar de assistent van hoogleraar Restauratie, prof. dr. ir. C.L. Temminck Groll. Aan de studie Bouwkunde-restauratie gingen 2 jaar studie Werktuigbouwkunde vooraf. Van 1981 tot en met 1998 was hij senior-architect/adviseur in het Bureau Rijksbouwmeester (Ministerie van VROM). Vanaf 1998 tot en met 2005 was hij hoofd van de afdeling Instandhoudingstechnologie van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg. Hij was mede-oprichter en bestuurslid van de Stichting Erkenningsregelingen Restauratie en Monumentenbehoud (ERM), koepel voor uitvoerenden in de restauratie. Hij was voorzitter van de Vereniging van Architecten Werkzaam in de Restauratie (VAWR) en is auditeur voor de GEAR-erkenning voor restauratie-architecten. Sinds december 2005 heeft hij een eigen – particulier – ingenieursbureau MONUMENTENZORG. Sinds eind 2014 verdiept hij zich in het nog niet ontwikkelde terrein van monument-specifieke thermografie

 

Januari 2017

Bezoek aan de Elektro Studieverzameling van de TU Delft

 Samenvatting van de voordracht Innovatie”.

Een van de meest gebruikte woorden in de techniek maar misschien ook het minst begrepen. Als innovatie alleen maar “verbetering” betekent, dan zou het een saai woord zijn. Dan zou het alleen maar gaan over verbeteren van wat al bedacht is. De Nipkow televisie markeerde de start van een nieuw tijdperk. Kleurentelevisie kon alleen eerst niet en later wel. Die verbetering was vanaf het begin voorspelbaar. Robots zijn er al heel lang. Kunnen we vanaf nu alleen nog maar verbeteringen verwachten of zijn er technische ontwikkelingen die de toekomst toch weer onvoorspelbaar maken?

Informatie over spreker dr.ir. Chris Verhoeven:

Dr. ir. C.J.M. (Chris) Verhoeven is een universitair hoofddocent bij de afdeling microelektronica aan de Technische Universiteit Delft en parttime werkzaam bij de faculteit Luchtvaart- en Ruimtevaarttechniek. Zijn onderzoekinteresses zijn systematisch analoog ontwerp, RF-circuits, adaptieve radiosystemen, sensor elektronica en avionica voor drones, sondeerraketten en nano-satellieten. Hij is een van de initiatiefnemers voor de bouw van de nog steeds functionerende Delfi-C3 nano-satelliet die in 2008 is gelanceerd. Sinds 2013 geeft Chris Verhoeven samen met Guido de Croon, leiding aan het Zwerm Thema het TU-Delft Robotics Instituut dat onderzoek doet op het gebied van zwermen van onderwater robots, rovers, drones en nano-satellieten en ondersteunt het studenten onderzoek naar bestuurbare sondeerraketten in de Korolev Lab van het instituut. Samen met Andre Schiele geeft hij leiding aan het Space Robotics Thema van het TU-Delft Space Institute, met een focus op micro voortstuwing en ruimtevaartmechatronica.

Informatie over sprekers Han Geijp en Roel Zwetsloot:

J.A. Geijp (Han) is coördinator van de Studieverzameling. Als instrumentmaker kwam hij, na zijn militaire diensttijd bij de KLu, in dienst bij de Optische Industrie (Old Delft) en in 1967 bij de faculteit Elektrotechniek. In die periode heeft hij als vormgever en illustrator in z’n vrijetijd een aandeel gehad bij de publicatie van een aantal boeken van de TU-Delft, zoals “De energieke wereld van Elektrotechniek”, “Elektro“ 25 jaar Mekelweg”, “Spanning” en “Koken met bloemen en kruiden uit de botanische tuin”. Hij is mede oprichter en vice-voorzitter van de stichting historisch genootschap “De Blauwe Tram”. Sinds de beëindiging van zijn 40-jarige dienstverband met de TU Delft zet hij zich volledig in voor de Elektro Studieverzameling. In het kort geeft Han de geschiedenis weer van de Elektro Studieverzameling. Hij zal de vrijwilligers aan ons voorstellen. Op de wekelijkse bijeenkomsten wordt door hen het verworven erfgoed geregistreerd en waar nodig op vakkundige wijze gerestaureerd en geconserveerd.

Roel Zwetsloot is student Elektrotechniek aan de TU Delft. Hij zet zich in voor de Studieverzameling, met speciale aandacht voor de collectie elektronenbuizen.

December 2016

ir. B.C. Root, met titel:

Rond de wereld met professor Vening Meinesz en het Gouden Kalf aan boord van de Hr. Ms. K-XVIII

Samenvatting van de voordracht op zaterdag 17 december 2016:

Op een koude winterdag, 21 november 1934, zette professor Vening Meinesz zijn slinger apparaat aan. Een paar minuten eerder dook de onderzeeboot, de Harer Majesteit K-XVIII, naar een diepte van 30 meter. Deze observatie zou de 500ste meting worden van een lange reeks observaties. De nieuwe dataset zou veel nieuwe mysteries over onze planeet helpen ontrafelen. Deze expeditie was het grootste onderdeel van het levenswerk van Vening Meinesz dat gepubliceerd is in wetenschappelijke artikelen gebundeld in vier volumes: ‘Gravity Expeditions at Sea’. De professor nam tijdens de expedities zijn speciaal ontworpen slinger apparaat mee, ook wel ‘Het Gouden Kalf’ genoemd. Tijdens het begin van 1900 was het zwaartekrachtsveld van de aarde alleen gemeten op land. Het klassieke enkel-slinger instrument had een stabiele ondergrond nodig. Dit was niet haalbaar op schepen. Hierdoor was 73 procent van het zwaartekrachtsveld op aarde nog onbekend voor de geodetische gemeenschap. Een jonge civiele ingenieur van de Technische Hogeschool in Delft zou daar verandering in brengen. Na zijn promotie (met lof) aan de TH Delft in maart 1915 kreeg de jonge doctor Felix Andries Vening Meinesz de taak van de Rijkscommissie voor Graadmeting om het eerste Nederlandse zwaartekrachtreferentie-netwerk op te zetten. Voor dit project had hij een instrument nodig dat het zwaartekrachtsveld met de hoogste nauwkeurigheid kon bepalen. Dit apparaat bleek zo effectief te zijn in het verwijderen van externe beweging uit de metingen dat Vening Meinesz besloot het in onderzeeboten te gebruiken. Dit opende de mogelijkheid voor oceanografisch zwaartekracht onderzoek, wat leidde tot vele ontdekkingen voor de theorie van plaat tektoniek. Tijdens deze presentatie zult u Vening Meinesz, samen met kaptein Hetterschij en zijn bemanning, volgen aan boord van de Harer Majesteit K-XVIII. Van Den Helder tot Surabaya voeren zij langs en over interessante geologische en geodetisch locaties en leren wij hoe Venig Meinesz met zwaartekrachtsmetingen de vorm van de aarde kon bepalen. Gaat u mee op dit avontuur over de oceanen van onze aarde?

Informatie over de spreker, ir. B.C. Root:

Bart Root behaalde zijn Master diploma aan de TUDelft op de faculteit Luchtvaart- en ruimtevaart technologie in 2012. Zijn master thesis was getiteld, Validating and improving the orbit determination of Cryosat-2. Tijdens zijn studies heeft hij ook bij EADS Astrium in Friedrichshafen, Duitsland gewerkt aan de vluchtsimulator en post-processing software van ESA’s SWARM missie. Cryosat-2 en SWARM waren beiden aardgerichte onderzoeksatellieten. Geïnspireerd door aardgericht satelliet onderzoek, startte hij zijn promotie in hetzelfde jaar bij de groep Astrodynamics and Space Missions, TU Delft. Het NWO-gesponsord onderzoeksvoorstel heette: Lithospheric and Upper Mantle Structures in Northwestern Europe derived by Satellite Gravimetry. Het doel van dit onderzoek is om globaal (satelliet) zwaartekrachtdata te combineren met seismische modellen van de ondergrond, om zo beter de beweging van onze aardkorst door postglaciale opheffing te voorspellen. Hij hoopt dit werk binnen enkele maanden te kunnen verdedigen voor een promotie commissie. Tijdens zijn tijd als promovendus heeft hij ook gewerkt aan een historisch en technologisch erfgoed project, een initiatief van de Bibliotheek van de TU Delft. Dat project beschrijft het werk van professor Vening Meinesz aan boord van de K-XVIII. Enkele resultaten kunnen worden bekeken op de informatieve website http://expeditiewikipedia.nl/#vening-meinesz

November 2016

Symposium: Canon van de Nederlandse brug – 2000 jaar brughistorie

Datum: zaterdag 12 november 2016.

Plaats: Science Centre van de TU Delft, Mijnbouwstraat 120, 2628 RX Delft.

Programma:

  • 10.30 uur: Gebouw open; ontvangst met koffie.
  • 11:00 uur: Welkom door de dagvoorzitter Rob Lutke Schipholt, directeur van de Nederlandse Bruggenstichting
  • 11.15 uur :  Met 7-mijlslaarzen door 2000 jaar Nederlandse brughistorie – door Frans Remery (oud-medewerker RWS en vrijwilliger Nederlandse  Bruggenstichting). Twintig eeuwen worden er al bruggen in ons land gebouwd, eerst door de Romeinen, daarna door onze voorouders en nu door ons. De bouwmaterialen veranderden van hout en (bak)steen naar staal en beton en zelfs kunststoffen. De opkomst van vervoermiddelen als treinen en auto’s stimuleerde belangrijke ontwikkelingen in de bruggenbouw. Elektriciteit verving menskracht bij aandrijving, regeling en bediening van beweegbare bruggen en de vormgeving van bruggen kreeg bijzondere aandacht.
  • 12.00 uur: Pauze. met koffie/thee
  • 12:30 uur: De alpha-kant van bruggen – door Herman Pleij, emeritus hoogleraar Historische Nederlandse letterkunde, gespecialiseerd in de literatuur van de Middeleeuwen. Geen enkel bouwwerk in onze nederzettingsgeschiedenis heeft zoveel aanleiding gegeven tot beeldspraak als de brug. Dat lijkt voor de hand te liggen in een waterrijk land. Een bruggenbouwer weet te verbinden wat elkaar liever lijkt te mijden. Wij zijn immers zeer decentraal ingesteld en richten ons bestaan graag zo autonoom mogelijk in. Is een brug dan niet eerder een noodzakelijk kwaad? En hoe kan dan een bruggenbouwer tot de meest gewaardeerde landgenoten behoren?
  • 13.00 uur: Uitreiking eerste exemplaar van de Canon van de Nederlandse Brug door Fred Westenberg, voorzitter van de Nederlandse Bruggenstichting aan de voorzitter van de vereniging Histechnica, Geert Jan Olsder en aan de voorzitter van de KIVI afdeling Geschiedenis der Techniek, Gert Jan Luijendijk.
  • 13.15 uur: Sluiting van de bijeenkomst door de dagvoorzitter
  • 13.20 uur: Eenvoudige broodjeslunch met koffie/thee/fris
  • 14.15 uur: Einde bijeenkomst.

Het boek:  CANON VAN DE NEDERLANDSE BRUG 2000 JAAR BRUGHISTORIE

De techniek van de bruggenbouw in Nederland heeft een grote ontwikkeling meegemaakt. Niet alleen in het type brug (vast, beweegbaar), maar ook in de toegepaste materialen (hout, steen, ijzer, staal, gewapend beton, voorgespannen beton, aluminium en kunststof).
Om al deze ontwikkelingen in een historisch perspectief te plaatsen, is de ‘Canon van de Nederlandse brug’ geschreven. Die begint bij doorwaadbare plaatsen in rivieren en waterlopen, beschrijft vervolgens houten ophaalbruggen, vaste stenen bruggen, de toepassing van ijzer voor de eerste grote spoorbruggen en het gebruik van beton voor verkeersbruggen en viaducten. Er wordt aandacht besteed aan de wijze waarop beweegbare bruggen functioneren en hoe de bediening is georganiseerd. Bruggen moeten niet alleen constructief hun mannetje staan, ook de vormgeving is van belang. In de huidige tijd is de rol van de architect steeds dominanter geworden.
Deze ‘Canon van de Nederlandse Brug’ omvat 43 vensters en leidt tot een beter begrip en inzicht in 20 eeuwen ontwikkeling in het functioneren van bruggen. Voor het gemak spreken we over bruggen, maar het gaat evengoed over viaducten (bruggen over wegen), ecoducten (bruggen voor de fauna) en aquaducten.Het beeldmateriaal in de Canon speelt een belangrijke rol, niet alleen als toelichting op de tekst, maar ook om de visuele aantrekkelijkheid van veel bruggen te benadrukken.

Gebonden uitgave 240 x 216 mm, 224 pagina’s 350 illustraties, waarvan de meeste in kleur. ISBN 978-90-72830-96-8 12 november 2016. Uitgave: Bouwen met Staal (Zoetermeer) in samenwerking met de Nederlandse Bruggenstichting (Rijswijk).
Nederlandse Bruggenstichting, Lange Kleiweg 34, 2288 GK Rijswijk, tel. 088 7970727, info@bruggenstichting.nl www.bruggenstichting.nl

Oktober 2016

De baksteenindustrie in Nederland na 1850

Door de heer R.A.J. Vermeulen (Stichting Historie Grofkeramiek SHG).

Samenvatting van de voordracht op zaterdag 8 oktober 2016: De baksteenindustrie in Nederland na 1850 van steenbakkersambacht tot moderne procesindustrie

Het waren de Romeinen welke het steenbakkersambacht rond 60 AD naar ons land brachten. Op de Holdeurn bij Berg en Dal exploiteerden het Tiende Legioen de grootste steenbakkerij in onze streken in die tijd. Met de terugtocht van de Romeinen in de derde eeuw verdween ook het ambacht, om pas weer rond 1150 AD weer opnieuw in ons land geïntroduceerd te worden door de Cisterciënzer monniken. Lang vormden steenbakkerijen een karakteristiek beeld in het landschap. Langs de rivieren waren het de schoorstenen die de steenovens markeerden. Tussen Haastrecht en IJsselmonde waren ooit meer dan 30 steenbakkerijen in vol bedrijf. Rond 1850 telde Nederland bijna 470 steenbakkerijen, waar de stenen in seizoenarbeid werden vervaardigd. Al eeuwen lang geschiedde dit al min of meer volgens hetzelfde proces, zonder spectaculaire veranderingen. Stenen met de hand gevormd, op banen en hagen gedroogd om te worden afgebakken in veldbranden veldovens. Steenbakkerijen waar arbeidersgezinnen met noeste arbeid een schamel inkomen vergaarden. Zwaar werk en lange werkdagen waren de kenmerken op een steenfabriek. Met de intrede van de industriële revolutie vinden er grote veranderingen plaats en zien we in nog geen 100 jaar het steenbakkerambacht veranderen in een moderne procesindustrie. Ging vroeger een steen tientallen keren door de hand gedurende de productie, tegenwoordig is het de metselaar die de steen vaak als eerste met de hand aanraakt. De voordracht wordt afgesloten met een film uit 1937 van de toen al sterk verouderde steenfabriek “De Spreeuwenhoek” in Ouderkerk aan de IJssel.

Informatie over de spreker, Rob A. J. Vermeulen:

Rob Vermeulen is 2005 bestuurslid van de Stichting Historie Grofkeramiek SHG. Hij houdt zich intensief bezig met de toepassing, historie, productie en onderzoek van baksteen en grof bouwkeramiek. Staat landelijk bekend als expert voor restauratie en renovatie van dit mooie materiaal. Verder is hij verwoed verzamelaar van Nederlandse bakstenen met merk- of naamindrukken. Hij bezit hiervan een fraaie en goed gedocumenteerde collectie welke als wisseltentoonstelling, via musea en oudheidskamers, door het land gaat. Waarschijnlijk bezit hij de meest uitgebreide databank met namen en locaties van Nederlandse steenfabrieken van nu en weleer. Daarnaast is hij een zeer actief, amateur historicus en auteur op het gebied van de grofkeramiek. Hij heeft dan al ook vele publicaties en boekwerken op zijn naam staan. In 2009 presenteerde hij voor de SHG de digitale encyclopedie van grofkeramisch Nederland.

Juni  2016

Rondleiding DREAM HALL van de TU Delft

Voordracht met rondleiding in de fameuze “DREAM HALL” van de Technische Universiteit te Delft, onder de algemene leiding van ing. F.P.M. van der Meijden.

Samenvatting van het bezoek aan de Dream Hall van de TU Delft op zaterdag 11 juni 2016: D:DREAM Hall; kweekvijver van topingenieurs

Passie-gedreven onderwijs of zelfs obsessie gedreven? Of de meest nuttige vorm van studieontwijkend gedrag? Feit blijft dat jaarlijks honderden studenten gretig hun tijd steken in het realiseren van studentenprojecten waarvoor zij geen reguliere studiepunten krijgen.
Wat drijft hen en waardoor zijn zij zo succesvol? Om die vraag te beantwoorden gaan we in gedachte ruim 15 jaar terug in de tijd. Twee studenten zochten een technische uitdaging waarin zij de stof van de in hun ogen nogal theoretische studies in de praktijk konden brengen. Het eerste Nuon Solar Team was geboren. Aanvankelijk weggestopt in ongebruikte kelderruimten startten na het succes van de eerste Nuna zonneauto meerdere studententeams en wederom met groot succes…
Innovatief was dat de studentenprojecten door studenten werden geïnitieerd en waarbij de studenten van begin tot eind “in control” en “probleem eigenaar” zijn. Het bleek een succesvolle formule.
Inmiddels heeft de TU Delft deze vorm van studentenprojecten omarmd met beschikbaar stelling van de prima geoutilleerde werkplaats D:DREAM Hall (D:DREAM = Dagdroom, Delft Dream Realisation of Extremely Advanced Machines.)
Tijdens de voordracht en rondleiding van zaterdag 11 juni wordt u even ondergedompeld in een ander wereld. Een wereld van techniekstudenten die geen grenzen kennen. Die met passie vertellen over zweeftreinen die met de snelheid van het geluid door vacuümbuizen schieten, exo skeletten die mensen met een dwarslaesie weer laten lopen, door spierkracht aangedreven onderzeeërs, racewagens op waterstof, voertuigen die met ca. 10 liter brandstof om de wereld kunnen rijden, fietsen die sneller zijn dan menig stadsauto, enz., enz. Onmogelijk denkt u? Dan is het voor u zeker de moeite waard om op 11 juni langs te komen. Want niet alleen vertellen de studenten met passie over hun projecten, u kunt ze die dag ook allemaal zelf bekijken!
Om logistieke redenen moeten wij de deelname van leden van Histechnica en van leden van KIVI afdeling Geschiedenis der Techniek beperken tot 60. Wij vragen uw begrip hiervoor.

Informatie over de spreker, ing. F.P.M. van der Meijden
Frans van der Meijden is in 1992 als elektronicus afgestudeerd en is pas sinds 2014 manager van de D:DREAM Hall, maar hij heeft een historie van 25 jaar bij de TU Delft.
Ooit bij de vakgroep Transport Technologie van de TUD faculteit 3mE / Werktuigbouwkunde begonnen als hoofd GIRA ofwel Groep Instrumentatie Rekenen en Automatisering heeft hij zich achtereenvolgens verdienstelijk gemaakt als hoofd ICT, hoofd Marketing en Communicatie bij verschillende faculteiten, projectleider e-Learning en onderwijsvernieuwing en hoofd onderwijs- en studentenzaken bij de TUD faculteit 3mE.
Vanaf de zijlijn heeft hij vanaf het begin de D:DREAM studentenprojecten gevolgd.

 

April 2016

Voordracht te houden door ir. F.J. Remery (oud-medewerker RWS), met titel: BRUGGEN IN NEDERLAND IN HISTORISCH PERSPECTIEF

Samenvatting van de voordracht op zaterdag 9 april 2016:

Voor wie met open oog door Nederland reist valt veel opmerkelijks te zien op het gebied van de weg- en waterinfrastructuur. De combinatie water, rail en weg, en dat alles in een dicht patroon, leidt op veel plaatsen tot opvallende bouwkundige hoogstandjes om een veilige passage van verkeersstromen mogelijk te maken. We komen onder de indruk van de stoere bruggen over de grote rivieren, vaak met een monumentaal karakter, maar ook charmante brugjes over verstilde grachten in het stadshart en gebouwd in een ver verleden, kunnen op bewonderaars rekenen. Niet voor niets worden bruggen, net als sluizen overigens, aangeduid met de algemene term ‘kunstwerken’. Daar waar de waardering een algemeen karakter heeft gekregen, kunnen dergelijke ‘kunstwerken’ een gemeentelijke, provinciale of rijksmonumentstatus verkrijgen. Zo’n status is in veel gevallen een garantie voor behoud en daarmee voor verantwoord onderhoud en, zo nodig, herstel.
Nu is een brug die we op een bepaalde locatie zien, daar vaak niet de eerste: er ging een andere brug aan vooraf, en vaak nog één, en nog één. Zo ontstaat een bruggengeschiedenis die veelal niet meer is af te lezen aan de huidige brug, maar waarvan wel beelden bewaard zijn gebleven, in oude foto’s, tekeningen en schilderijen. Als ‘voorouders’ van de huidige bruggen, schetsen zulke bruggen een beeld van de tijd en van de ontwikkelingen in de bruggenbouw. Ook in onze tijd gaat de ontwikkeling door en zien wij dat bruggen de openbare ruimte door hun vormgeving niet alleen op een praktische, maar evenzeer op een esthetische manier kunnen vullen.
In de voordracht wordt aandacht besteed aan de ontwikkeling van de techniek van het bouwen van bruggen in de loop van de eeuwen, tot in onze tijd.

Informatie over de spreker ir. F.J. Remery:

Frans Remery studeerde werktuigbouwkunde aan de Technische Hogeschool in Delft waar hij in 1965 afstudeerde bij de vakgroep Verbrandingsmotoren en Gasturbines. Na een korte periode bij Werkspoor in Amsterdam en de Koninklijke Luchtmacht was hij vele jaren werkzaam bij de Directie Bruggen, later de Bouwdienst van Rijkswaterstaat. In de tijd dat Rijkswaterstaat nog alles zelf ontwierp, werkte hij aan het ontwerp van de werktuigkundige installaties voor de kunstwerken die toen werden gebouwd. O.a. was hij verantwoordelijk voor het ontwerp van het bewegingssysteem van de schuiven van de Oosterscheldekering en de renovatie van het sluizencomplex in IJmuiden. Tussendoor verbleef hij enkele jaren in RD Congo, waar hij de bevolking hielp bij de bouw van bruggen. In de loop van de jaren adviseerde hij geregeld bij buitenlandse projecten op het gebied van sluizen en gemalen. Als vrijwilliger bij de Nederlandse Bruggenstichting kreeg hij belangstelling voor de geschiedenis van de bruggenbouw in Nederland. Deze stichting verzamelt en bewaart kennis van bruggen in Nederland, adviseert bij de bepaling van de monumentwaarde van bruggen als industrieel erfgoed, geeft een tijdschrift uit over bruggen en publiceert boeken over de geschiedenis van bruggen en bruggenbouw.

 

Maart 2016

Voordracht  ing. W. de Wit, met titel: Historie en ontwikkeling van Hoogovens IJmuiden

Samenvatting van de voordracht op zaterdag 12 maart  2016: 

Hoogovens1_mrt_2016

Een staalbedrijf in Nederland, een land zonder ertsmijnen, maar wel met kolenmijnen. Echter dan starten aan de kust. Waarom dan wel en hoe heeft zich dat in de tijd ontwikkeld? Waar is het mee begonnen wie waren belangrijk voor de start, werd er al direct staal gemaakt, wanneer kwamen de walserijen en de verdere verwerkingsfabrieken? Wat was de invloed van de Tweede Wereldoorlog en wat was de invloed van technologie op productiegrootte en personeels-ontwikkeling? Welke technologieën speelden een rol en welke rol speelde de wereld staalproductie? Waarom fuseren tot Corus en nu is het zelfs Tata Steel?

Hoewel dit een heel breed spectrum van invloeden is en de beschikbare tijd vast niet voldoende zal zijn, hoop ik u toch een goed beeld te kunnen geven van het Staalbedrijf IJmuiden door de jaren heen. Ondersteund door een presentatie met foto’s, schema’ s en stukjes film.

Informatie over de spreker, ing. W. de Wit:

Wim de Wit studeerde elektrotechniek aan de HTS te Den Haag. Hij studeerde af in 1965. Als medewerker van Rietschoten en Houwens kwam hij in 1967 te werk bij de uitbreidingen van KNHS en was hij betrokken bij de bouw en het opstarten van Warmbandwalserij 2. In 1969 kwam hij in dienst van KNHS en werd ingeschakeld bij bouw en inbedrijfstelling van Koudbandwalserij 2.
Na een aantal functies bij andere walserijen kreeg hij een functie als onderhoud chef van een algemene elektrotechnische onderhoudsafdeling. Deze beheerde o.a. alle liften over het gehele bedrijf, verzorgde de gehele bedrijfsterreinverlichting en alle elektrotechnische installaties van niet productie-gebonden gebouwen, zoals algemene werkplaatsen, laboratoria, rekencentrum en kantoren. Dit zorgde er tevens voor dat hij een grote kennis op kon bouwen van de verschillende facetten van een geïntegreerd staalbedrijf.
Na een korte adviseringsperiode in Mexico (1992 – 1995), tijdens welke in IJmuiden een grote reorganisatie werd doorgevoerd, kon hij een functie krijgen bij de afdeling public relations om bedrijfsbezoeken te begeleiden. In deze periode kwam hij in aanraking en ging meedoen met een groep personeelsleden die zich bezig hield met het industriële erfgoed van Hoogovens. Na zijn pensionering van het bedrijf in 2001, toen nog Corus geheten, bleef hij betrokken bij het industriële erfgoed en als vice voorzitter van de inmiddels opgerichte Stichting Industrieel Erfgoed Hoogovens (SIEHO) heeft hij hard getrokken aan de realisatie van het Hoogovensmuseum dat in 2009 officieel werd geopend en nog steeds – nu door Tata Steel – wordt ondersteund. Hij is er nog altijd bij betrokken, zij het niet meer in een bestuursfunctie.

 

Februari 2016

Voordracht  drs. J.J. Havelaar, met titel: DEN HAAG INDUSTRIESTAD

Samenvatting van de voordracht op zaterdag 13 februari 2016: 

Een titel die voor velen nog steeds de wenkbrauwen doet fronsen, maar toch … er zijn gegevens genoeg voor om dit te onderbouwen.  Wat denkt u van het eerste geplande industriegebied van Nederland in de Haagse Laakhaven, de zesde metaalnijverheidstad van ons land, radiostad – met de eerste wereldwijde uitzending in 1919 uit de Beukstraat – de ontwikkeling van de plaatradiator, de productie van de eerste autogordel in Europa, de productie van de Solex voor de Nederlandse markt… en zo zijn er nog meer voorbeelden te noemen. Den Haag heeft een rijk industrieel verleden met bijzondere fabrieken, utilitaire bouwwerken en industriehavens.

Bij deze lezing wordt ingegaan op de industriële ontwikkeling van de stad met industrieën als ijzergieterijen, meubelfabrieken, voedingsmiddelen industrie, maar ook op de stedenbouwkundige consequenties hiervan. Van een historische binnenstadshaven naar het eerste moderne industrieterrein annex haven, de Laakhaven en de latere Binckhorsthaven. Ook wordt ingegaan op de activiteiten van de Stichting Haags Industrieel Erfgoed (SHIE), die sinds 1993 actief is in de regio Den Haag om het industriële verleden voor het voetlicht te brengen. De SHIE gaf diverse publicaties uit over onder meer De Oude Haven van Den Haag, de Zuivelindustrie, Haagse ondernemers en hergebruik van industrieel erfgoed. Daarnaast is de SHIE betrokken geweest bij diverse tentoonstellingen en werden verschillende routes samengesteld langs industrieel erfgoed. Ook werden projecten geïnitieerd als “Muurvlakte te Huur” (restauratie van geschilderde muurreclames), economische geschiedenis van Den Haag en in 2015 het project “Made in The Hague – Jaar van het Industrieel Erfgoed”. Lezingen, rondleidingen en presentaties maken onderdeel uit van het uitdragen van het thema industrieel erfgoed.

Er wordt veel onderzoek gedaan naar een grote diversiteit aan thema’s en bedrijven. Dit onderzoek wordt gepubliceerd in het kwartaalbulletin van de stichting: Haagvaarder en op de eigen website (www.shie.nl) o.a. in de rubriek ‘Echo’s van de werkvloer’. In voorbereiding is een website, in samenwerking met het Haags Gemeentearchief, over historische Haagse bedrijven. Met dit alles levert de SHIE zicht op een breed landschap van het historische industriële erfgoed.

Informatie over de spreker, drs. J.J. Havelaar:
Koos Havelaar is kunsthistoricus en sinds zijn afstuderen in 1983 aan de Rijksuniversiteit Leiden als onderzoeker actief op diverse gebieden, met als belangrijkste invalshoek het industrieel erfgoed. Het onderzoek betreft veelal Den Haag en directe omgeving. Het resulteerde in een diversiteit aan publicaties. De belangrijksten daarvan zijn: ‘Als men met de Trekschuiten van Delf den Hage inkomt…’, De oude haven van Den Haag, De metaalpletterij en ijzergieterij L.I. Enthoven & Co, De Laakhaven.
Beeld van een industrielandschap, De Binckhorst, bedrijventerrein in beweging, en Nieuw in Oud. 20 jaar herbestemming Haags industrieel erfgoed.
Koos Havelaar is één van de oprichters van de SHIE en sinds de oprichting voorzitter. Hij geeft leiding aan de diverse projecten van de stichting, zoals afgelopen jaar bij het project “Made in The Hague” waarbij een breed publiek kennis kon maken met het industriële verleden van de stad.

Januari 2016

Voordracht door ir. P.S. Heerema (Allseas Engineering BV)

Nederland pionier in de offshore techniek

Samenvatting  van de voordracht op zaterdag 9 januari 2016:

De wieg van de Offshore, ofwel het winnen van olie en gas op zee, ligt in de Golf van Mexico. In 1947 wordt de eerste put geboord vanaf een platform in nog geen 5 meter waterdiepte. Bijna 70 jaar later worden velden ontwikkeld in de meest afgelegen en barre gebieden ter wereld, veelal in extreme waterdieptes van duizenden meters. In het begin van de zestiger jaren worden de eerste olie- en gasvelden in de Noordzee ontdekt. De Noordzee, met haar korte zomers en barre winters, blijkt een ruig gebied met veel meer slecht weer en hoge golven. Het materieel uit de Verenigde Staten, veelal bestaand uit platte bakken, voldoet niet en de productiviteit is laag.
Nederland, met de eeuwenoude kennis van water en bagger, de goede ligging en haar vernieuwingsdrift, is de ideale kandidaat om deze leemte te vullen. De zeventiger jaren worden gekenmerkt door vernieuwing, waar vooral op installatiegebied grote stappen voorwaarts worden gemaakt. De grootvader van de spreker is met zijn bedrijf Heerema een drijvende kracht hierachter. Na een reeks succesvolle kraanschepen bedenkt hij het revolutionaire concept voor twee half afzinkbare (“semi-submersible”) kraanschepen met veel grotere hijscapaciteit en stabiliteit. Deze ontwikkeling opent de deuren voor nog grotere, diepere en zwaardere ontwikkelingen in de Noordelijke Noordzee en binnen een paar jaar zijn conventionele kraanschepen veelal uit de vaart. Het concept blijft meer dan 30 jaar de standaard. Een andere speler in deze tijd is Netherlands Offshore Company, een consortium van bouw- en baggerbedrijven. Oliemaatschappij Shell besluit zelf een pijplegschip te ontwikkelen in samenwerking met Esso, om betere werkbaarheid en vernieuwing te forceren in deze tak van de industrie. Andere partijen die een belangrijke rol spelen zijn Gusto en de grote scheeps- en materieelbouwers in Rotterdam. In de laatste decennia van de 20e eeuw kenmerken veel nieuwkomers de ontwikkeling van de Nederlandse Offshore, onder anderen Allseas, Fugro, Huisman, Bluewater en Seaway Heavy Lifting.
In de presentatie zal de geschiedenis van de offshore in beeld worden gebracht en zal aandacht worden besteed aan haar ontwikkeling en technische vooruitgang. Daarin speelt ook het bedrijf Allseas een belangrijke rol. In 1985 veranderde Allseas de pijplegindustrie door de introductie van het dynamisch gepositioneerde schip “Lorelay”. Nu, 30 jaar later, staat het aan de vooravond van de revolutionaire introductie van de “Pioneering Spirit”, een schip dat met een compleet nieuw concept veel grotere platforms kan installeren en oude platforms kan ontmantelen.

Informatie over de spreker, ir. P.S. Heerema, MBA:
Pieter Heerema studeerde Werktuigbouwkunde aan de TU Delft waar hij in 2006 cum laude afstudeerde in de afstudeergroep Technische Dynamica. Voorts werkte hij tot medio 2010 bij Philips in Drachten, aan de ontwikkeling van scheerapparaten, als ingenieur en project leider. Hierna begon hij een MBA opleiding bij INSEAD in Fontainebleau, welke hij in juli 2011 succesvol afrondde. Aansluitend startte hij bij Allseas, een toonaangevende aannemer voor het installeren van pijpleidingen en infrastructuur in de Offshore. Na anderhalf jaar veelzijdig engineering werk promoveerde hij tot een directiefunctie als verantwoordelijke voor de uitvoering van Allseas’ projecten offshore. Zijn belangrijkste taak betreft de afbouw van het hef- en pijplegschip “Pioneering Spirit”.

December  2015

Bijeenkomst met voordrachten en rondleidingen in het LOUWMAN MUSEUM te Den Haag.  Hierbij werd met name aandacht geschonken aan de unieke verzameling van historische telescopen van wereldniveau van Ing P.J.K. Louwman. Uiteraard kan men aansluitend de prachtige grote collectie auto’s, koetsen en veel meer bezichtigen.

                          Locatie: Louwman Museum, Leidsestraatweg 57, 2594 BB Den Haag.

Het fraaie moderne gebouw van het Louwman Museum staat goed zichtbaar op de autosnelweg N44 Den Haag – Wassenaar (verlengde Benoordenhoutseweg) aan de rand van Den Haag en Wassenaar; let daar op een bord nabij afrit Duindigt met “Louwman Museum”. Openbaar vervoer vanaf Den Haag CS: bus nr 90. 385 en 386 ; halte Waalsdorperlaan.

Toelichting:

Het Louwman Museum naast het Haagse bos en het paleis Huis ten Bosch zal bij velen al goed bekend zijn. Een bezoek aan het museum (ook zelfs voor de zoveelste keer) is meer dan aan te bevelen. Ook is het museum vernieuwd. Het bijzondere van deze bijeenkomst is dat men de unieke, indrukwekkende historische verzameling van telescopen, verrekijkers en toneelkijkers van Ing. Peter Louwman kan bezichtigen. Honderden zeer oude en unieke telescopen afkomstig uit de gehele wereld is in twee zalen tentoongesteld. Het is een internationale topcollectie van historische telescopen, waarbij zelfs de originele lens van Christiaan Huygens is te zien. Deze zaal is slechts beperkt toegankelijk en wij krijgen op deze zaterdag zelfs voordrachten en toelichtingen van Ing. Louwman zelf.

Daarnaast kunt u ook nog de prachtige topcollectie van voertuigen bezoeken. In het Louwman Museum is een enorme verzameling te zien van auto’s, motoren, koetsen, enige vliegtuigen en andere fraaie objecten zoals auto’s op affiches, porselein, enzovoort. De hoogtepunten uit de autogeschiedenis is tentoongesteld met meer dan 250 antieke en klassieke automobielen. Top merken waaronder Jaguar en Maserati zijn tentoongesteld. De contrasten tussen majestueuze luxe automobielen uit de jaren twintig en dertig tot gezinsauto’s zijn soms scherp. Er zijn aparte zalen voor merken zoals Ferrari.
Ook het gebouw zelf is uniek: de Amerikaanse architect Michael Graves is wereld bekend.

Een aanrader: kijk op de prachtige website www.louwmanmuseum.nl

November 2015

Voordracht door dr.ir. J.F.L. Goosen (TU Delft)

MICROSYSTEMEN: VAN SCIENCE FICTION TOT WERKELIJKHEID

Samenvatting  van de voordracht op zaterdag 14 november 2015:

Mensen zijn al zeer lang gefascineerd door afmetingen. Dit blijkt uit verhalen zoals ‘Gullivers reizen’ (1726), ‘Erik of het klein insectenboek’ (1941), ‘Waldo’ (1942) en de film ‘Fantastic voyage’ (1966). In deze laatste twee wordt gespeculeerd over wat miniatuur apparaten zouden kunnen betekenen voor de medische wetenschap. Op 29 december, 1959 hield de beroemde natuurkundige Richard Feynman een voordracht voor de American Physical Society getiteld; “There’s plenty of room at the bottom”, waarin hij zich afvroeg of het mogelijk zou zijn om machines te maken ter grootte van een zandkorrel en waar die dan voor gebruikt zouden kunnen worden. Een halve eeuw later zijn deze miniatuur machines met onderdelen kleiner dan een cel, een realiteit geworden en worden toegepast in veel van de apparatuur die we dagelijks gebruiken.

Deze voordracht zal ingaan op wat microsystemen eigenlijk zijn en een antwoord geven op de vragen van Feynman. Zo gedragen apparaten op micro schaal zich anders dan wat we gewend zijn in het dagelijks leven. Dit is direct het gevolg van de verandering in afmetingen en hierdoor zitten microsystemen anders in elkaar en kunnen dingen die op grote schaal soms niet mogelijk zijn.
Aangezien traditionele machine fabricage technieken niet in staat zijn om zulke zeer kleine systemen te maken, wordt gebruik gemaakt van dezelfde fabricage technologie die gebruikt wordt voor micro-elektronica. Een korte indruk van deze technologie zal worden gegeven en hoe deze is aangepast om behalve elektronica ook mechanische, optische en andere onderdelen te kunnen produceren.
Tenslotte zullen enkele voorbeelden worden besproken die worden toegepast in auto’s, telefoons en andere apparaten die we dagelijks gebruiken en de mogelijkheden die microsystemen bieden voor de toekomst.

Informatie over de spreker, dr.ir. J.F.L. Goosen:
Hans Goosen studeerde elektrotechniek in Delft waar hij in 1991 afstudeerde. In 1996 promoveerde hij op onderzoek naar een microsysteem voor positionering en de fabricage technologie om deze te maken. Hierna was hij als postdoctoraal onderzoeker betrokken bij de ontwikkeling van micro-sensoren voor medische toepassingen. In 2001 stapte hij over naar de Faculteit 3mE (Werk-tuigbouwkunde, Maritieme techniek en Materiaalkunde). Bij de afdeling ‘Precision and Microsystem Engineering’ houdt hij zich bezig met ontwikkeling van complexe geïntegreerde systemen op microschaal, de afhankelijkheden tussen systeem en het maakproces, en wat er gebeurd als systemen en objecten micro- of zelfs nano-afmetingen bereiken.

Oktober 2015

voordracht van dhr. ing. M.M. van Brummelen

ELECTRISCHE ENERGIE TOEVOER VOOR SPOORWEGTRACTIE: TERUGBLIK EN HEDENDAAGSE UITDAGINGEN

Zo’n 100 jaar geleden werd de eerste bovenleiding in Nederland geïnstalleerd. Dit was op de Hofpleinlijn in 1908, aanvankelijk met 10 kV wisselspanning maar in 1922 al gauw met 1500 V gelijkspanning. Na de Tweede Wereldoorlog was het nodige vernield en stond men voor de keuze om door te gaan met 1500 V DC of om te kiezen voor een andere bovenleidingspanning. Men koos ervoor om door te gaan met 1500 V DC mede omdat dit ruim voorzag in de toenmalige energievraag. Om de zoveel tijd werd deze keuze her overwogen.

Met de opkomst van de wens voor interoperabiliteit werd in Nederland de keuze gemaakt om in te zetten op 25 kV als bovenleidingspanning. De Betuweroute en HSL zijn dan ook voorzien van 25 kV. Ook zijn een aantal baanvakken voorbereid voor 25 kV. Een aantal jaar geleden is deze focus op 25 kV losgelaten naar aanleiding van uitgebreide technische en financiële onderzoeken t.a.v. uitrol over heel Nederland. Momenteel ligt er een advies vanuit de rail branche om een pilot uit te voeren om de tractievoeding om te bouwen naar 3000 V DC zoals ook toegepast wordt door onder andere België. Dit om de energieverliezen terug te dringen, rijtijdwinst te kunnen halen en een duurzame stap te kunnen maken. Is deze pilot succesvol dan zal worden voorgesteld in een aantal stappen het materieel geschikt te maken en de infra om te bouwen naar 3000 V DC.
Voor een beter begrip van het systeem bovenleiding als onderdeel van de tractievoeding zal kort stil worden gestaan bij een aantal basisprincipes.
In het kader van performance verbetering van tractievoeding 1500 V wordt onderzocht welke storingen de meeste hinder veroorzaken voor de reiziger/goederenvervoerder. Dit blijken niet zo vreemd rijdraadbreuken te zijn. Deze hebben een zodanige impact dat een baanvak gemiddeld acht uur buiten dienst is en dus niet gebruikt kan worden voor exploitatie. In het kader van dit onderzoek zijn oorzaken onderzocht en mogelijke beheersmaatregelen bedacht. Een aantal kansrijke mogelijkheden worden besproken op haalbaarheid. Zo zijn er nog meer ontwikkelingen zoals een rol pantograaf in plaats van een sleepstuk. Dit onderzoek verkeerd nog in de studiefase en wordt bij de TU Delft uitgevoerd. Het idee is dat een rol minder last heeft van defecten in de infra. Ter vergelijking: een wiel neemt een stoeprandje makkelijker dan een vierkant blok.
De voordracht beschrijft diverse aspecten op het gebied van bovenleiding in Nederland.

Informatie over de spreker, ing. M. M. van Brummelen:

Michiel Van Brummelen studeerde aan de HTS Fijnmechanische Techniek in Utrecht waar hij in 1999 afstudeerde. Vervolgens ging hij werken bij Arcadis tot 2008 waar hij diverse functies bekleedde. Als laatste was hij specialist bovenleidingsystemen en adviseerde wereldwijd diverse railprojecten t.a.v. keuzes op het gebied van bovenleiding. In die tijd ontwikkelde hij voor ProRail diverse bovenleidingsystemen en stelde verbeteringen voor. Ook deed hij onderzoek naar dynamisch gedrag van bovenleidingsystemen en deed simulaties t.b.v. advies toelating materieel. In 2008 maakte hij de overstap naar ProRail waar hij nu systeemspecialist tractievoeding specifiek bovenleiding is. In die hoedanigheid is zijn blik meer gericht op het meten van de performance van de diverse systemen en componenten en hoe er kosteneffectief een stap vooruit gemaakt kan worden op het gebied van RAMSHEC (Reliability, Availability, Maintainability, Safety, Health, Environment, Cost) waaronder ook restlevensduurbepalingen en duurzaamheid van bovenleiding.

Mei 2015

Voordracht van ing. D.J. Rozema, met titel:

WELKE BESTEMMING VOOR HET ERFGOED LUCHTVAART TECHNIEK? (Verleden, heden en toekomst van het NLR museum in Amsterdam)

Samenvatting:

Zo’n 100 jaar geleden stond de luchtvaart in Nederland nog in de kinderschoenen. De inzet van vliegtuigen voor militaire doeleinden tijdens de Eerste Wereldoorlog maakte duidelijk dat met vliegtuigen een oorlog was te winnen. Deze erkenning betekende voor Nederland o.a. dat serieus moest worden gewerkt aan beproevingen, regelgeving en veiligheid om vliegtuigen formeel luchtwaardig te verklaren. Met de oprichting van de Rijksstudiedienst van de Luchtvaart (1919) en met de aanschaf van onderzoeksfaciliteiten werd dit mogelijk gemaakt. De daar begonnen onderzoeken hebben in de ruim 95 achterliggende jaren geleid tot een modern onderzoeksinstituut, het NLR.

In die periode is een veelheid van erfgoederen vergaard en bewaard door de Stichting Historisch Museum NLR, die vanaf 1985 op het NLR-terrein een bedrijfsmuseum heeft opgebouwd met een archief. Het museum moest zeer recent worden opgedoekt omdat het niet meer paste in de uitstraling van het hedendaagse NLR.

Het accent van het erfgoed ligt op technisch gebied en toont o.a. de technische ontwikkelingen bij het uitvoeren van windtunnelproeven, vliegproeven en materiaalproeven. Deze aspecten zijn niet aanwezig in de huidige Nederlandse luchtvaartmusea en zouden daarom een welkome aanvulling kunnen vormen.

De stichting, die eigenaar is van het erfgoed, is op zoek gegaan naar alternatieve mogelijkheden om het erfgoed toegankelijk te kunnen maken. De lezing beschrijft welke mogelijkheden zijn onderzocht, welke keuzen zijn gemaakt voor de korte termijn en welke strategie is gekozen voor de langere termijn.

Informatie over de spreker, ing. D.J. Rozema:

DirkJan Rozema studeerde aan de HTS Vliegtuigbouwkunde in Haarlem waar hij in 1969 afstudeerde. Na zijn militaire dienstplicht werd hij in 1971 aangesteld bij de afdeling Hefschroefvliegtuigen en speciale onderzoekingen van het Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium NLR in Amsterdam. Zijn eerste onderzoeksproject betrof de vluchtsimulatie van de Fokker P-301, een viermotorige versie van de F.27. Zijn affiniteit met vliegtuigprestaties maakte dat hij werd betrokken bij de ontwikkeling van een rekenmodel voor de bepaling van geluidsbelastingcontouren rond vliegvelden.

In 1983 werd hij als lid van de directiestaf belast met de coördinatie van de projecten uitgevoerd in opdracht van de RLD en KLM. In 1985 volgde zijn benoeming tot manager van de afdeling die verantwoordelijk was voor het “document processing” van het NLR, waarbij hij nauw betrokken was bij de ontwikkeling en uitvoering van de kantoorautomatisering. In een later stadium werd hij tevens belast met het Archief en het Informatiecentrum (opvolger van de NLR bibliotheek).

Het is vooral in de laatste periode waarbij hij in aanraking kwam met de vele oude documenten, foto’s en films die het NLR bewaarde, dat bij hem het besef ontstond dit unieke materiaal te behoeden voor ondergang. In 2000 werd op initiatief van de NLR-directie de Stichting Historisch Museum opgericht, waarvan DirkJan bestuurslid werd en verantwoordelijk werd voor de collectie.

Hij is schrijver van het in 2009 gepubliceerde jubileumboek “Waypoint NLR90YR”, uitgebracht ter gelegenheid van het 90-jarige jubileum van het NLR.

 

April 2015

Voordracht van prof.dr.ir. P. Breedveld

DE WONDERBAARLIJKE REIS VAN ANATOMIE NAAR TECHNOLOGIE (EN WEER TERUG)

In de natuur worden wonderbaarlijke ontwerppaden gevolgd die vaak leiden tot buitengewoon slimme oplossingen die wachten op een technische toepassing. In de Bio-Inspired Technology (BITE) groep van de Faculteit 3mE van de TU Delft wordt de natuur bestudeerd en worden slimme biologische vindingen toegepast in innovatieve chirurgische instrumenten. Uitgaande van de bijzondere anatomie van een tentakel van een inktvis, die is opgebouwd uit een zogenaamd hydrostatisch spierskeletsysteem, is er in het jaar 2004 een stuurbaar kabelkransmechanisme uitgevonden dat zeer geschikt is voor de constructie van stuurbare chirurgische instrumenten. Het kabelkransmechanisme is vanaf 2004 toegepast in een reeks prototypes voor uiterst maneuvreerbare en ultradunne chirurgische instrumenten – in hun soort de dunste en meest beweeglijke ter wereld. De prototypes worden beschermd door een aantal patenten en worden thans verder ontwikkeld voor een breed aantal chirurgische toepassingen variërend van laparoscopie tot neurochirurgie en katheterinterventies. In de voordracht wordt besproken hoe de biologische vinding heeft geleid tot de ontwikkeling van deze instrumenten en hoe ze thans worden gecommercialiseerd. In de voordracht wordt ook aandacht besteed aan de ACCREx methode voor creatief ontwerpen die is ontwikkeld in de BITE-groep. De voordracht zal worden afgesloten met een blik in de toekomst, waarin de huidige technologische begrenzingen worden verlegd door de ontwikkeling van vertakte, dendritische instrumenten voor schedelbasischirurgie. (De voordracht wordt in het Nederlands gehouden.)

Informatie over de spreker, prof.dr.ir. P. Breedveld: Paul Breedveld studied Mechanical Engineering at TU Delft, where he graduated cum laude in 1991. After a PhD on human-machine interfaces for manually controlled space manipulators, which he finished cum laude in 1996, he decided to switch to the medical field and started research on steerable surgical instruments. Sponsored by a prestigious research grant from the Royal Netherlands Academy of Arts and Sciences (KNAW), he continued the research with developing medical devices inspired by clever solutions in nature. Collaborating with a number of academic hospitals, medical companies and technical and biological research groups, the research within his group BITE (Bio-Inspired Technology) has resulted in a number of patents that are being commercialized by a number of (spin-off) companies. Being a member of the BIOKON International Biomimetics Association and having received a number of prizes and awards, his research was rewarded in 2012 with a prestigious VICI research grant on the development of multi-armed dendritic maneuverable instrumentation for endo-nasal skull base surgery, and in 2013 with an Antoni van Leeuwenhoek personal professorship at TU Delft. Being inspired not only by nature but also by clever inventions from mankind, in his spare time, Paul Breedveld is an enthusiastic collector and restorer of historical cameras and mechanical calculating machines.

 

Maart 2015

Voordracht van dr.ir. Arend L. Schwab

DE KUNST EN WETENSCHAP VAN HET FIETSEN, VAN 1817 TOT HEDEN 

Samenvatting van de voordracht:

De Kunst en Wetenschap van het Fietsen, van 1817 tot Heden
Fietsen is iets wat je moet leren; het gaat niet vanzelf. Als de fiets stilstaat valt hij direct om, maar bij een beetje snelheid is hij eenvoudig overeind te houden. Hoe komt dat nu? Dit onderwerp heeft de afgelopen 140 jaar velen bezig gehouden, ofwel voor een proefschrift of als hobby, en soms ook als een compleet levenswerk. Helaas komen weinig resultaten overeen en is er ook nog weinig bekend over de essentiële ingrediënten die een fiets stabiel maken. Ook weten we eigenlijk niet waarom de ene fiets nou zo veel makkelijker te besturen is dan de andere. De dynamica van de fiets en zijn berijder zijn het onderwerp van deze voordracht.

Informatie over de spreker, dr.ir. Arend L. Schwab:
Arend L. Schwab is onderzoeker bij de TU Delft. Hij heeft daar een fietslab. Hij geeft les in de toegepaste mechanica en dynamica van mechanische systemen. Zijn onderzoeksgebied is de dynamica van mechanische systemen met toepassingen in de biomechanica, robotica en voertuigdynamica. Hij heeft een voorkeur voor kleine eenvoudige modellen. De laatste tien jaar heeft hij gewerkt aan wandelende robots, aan de dynamica van de fiets en aan het modelleren van schaatsen en skiën. Zijn werk op het gebied van de dynamica en besturing van de fiets vloeit voort uit een sabbatical jaar in, en een langdurige samenwerking met Andy Ruina van Cornell University, Ithaca, NY.
Meer info op: http://bicycle.tudelft.nl/schwab/

Aanvullende Informatie zie Voordracht fietsonderzoek – nadere informatie

Locomotief

Februari 2015

Voordracht van dhr A.J.W. Pruissen

Met titel: KINDEREN VAN GEORGE STEPHENSON: EEN LOFZANG OP DE KLASSIEKE WERKTUIGBOUWKUNDE – FILMPRESENTATIE DOOR TON PRUISSEN

Samenvatting :

Locomotief
LocomotiefNiet alleen de “Rocket”, maar elke stoomlocomotief is een kind van George Stephenson. In de 19de eeuw betekende zijn schepping het einde van de paardentractie bij de toen al bestaande spoorwegen. Stoomlocomotieven hebben veel overeenkomsten met levende wezens. Net als sommige mensen zijn zij muzikaal begaafd, en zij bewegen zich het liefst voort op de klanken van een symfonieorkest. Moest Antonin Dvořák hieraan denken toen hij de verzuchting slaakte: “voor het uitvinden van de Stoomlocomotief zou ik al mijn symfonieën willen opgeven”?
Suikerfabrieken op Java gebruikten stoomlocomotieven om zware riettreinen naar de fabriek te brengen. Hier werd het riet vermalen in rietmolens, aangedreven door stoommachines. Veel locomotieven en bijna alle stoommachines waren van Nederlands fabricaat: Ducroo & Brauns, Werkspoor, Stork en Fijenoord. Het uitgeperste riet werd gebruikt als brandstof voor de stoommachines en de locomotieven. De film “Sweet Steam” laat u hier uitgebreid van genieten.

Locomotieffabrieken gaven vroeger fotoalbums uit waarin getoond werd met hoeveel toewijding en vakmanschap bij hen een locomotief tot stand kwam. Aan de hand van een aantal van deze foto’s wordt iets over de bouw en werking van de stoomlocomotief verteld.
Bij het revisiebedrijf “ZECO” in Bulawayo krijgen Garratt-locomotieven een grote herstelling. Hier wordt nog handmatig geklonken: gloeiende klinknagels worden met een grote zwaai naar de klinker gegooid. Met twee loopkranen worden locomotieven opgetild en neergezet en, zoals een dirigent een orkest leidt, wordt hier met gebarentaal voor een juiste samenwerking tussen de kraanmachinisten gezorgd.

Informatie over de spreker, de heer A.J.W. Pruissen:

Ton Pruissen kan zich nog goed herinneren hoe hij in 1958 als elfjarig jongetje in Hilversum op straat liep na te denken: waarop moet ik mij nu gaan richten, nu de stoomlocomotief voorgoed verdwenen is: stoomboten of raketten? Gelukkig is het de stoomlocomotief gebleven. Vanaf 1963 volgde hij zijn zwarte vrienden met een filmcamera. Eerst dicht bij huis, maar al spoedig filmde hij locomotieven in het Oostblok, hetgeen niet onopgemerkt bleef bij verschillende geheime diensten. Toch slaagde hij er bijna altijd in de opnamen veilig mee naar huis te nemen. Het onverwachte commerciële succes, begin jaren ’90, van een filmproductie met oude Oostduitse beelden deed hem besluiten van de productie van historische spoorwegfilms zijn beroep te maken. Inmiddels zijn meer dan vijftig titels verschenen, bij verschillende uitgevers. Officieel is hij gepensioneerd. Maar thuis, in zijn kleine maar zeer professionele studio, ontstaan nog steeds nieuwe oude films.

 

Januari 2015

Voordracht van Ir. A. Elsenaar,

met titel:
DOOR DE GELUIDSBARRIĖRE IN DE JAREN VIJFTIG: BOUW, INSTRUMENTATIE EN GEBRUIK VAN DE HOGE SNELHEID WINDTUNNELS VAN HET NATIONAAL LUCHT- EN RUIMTEVAART LABORATORIUM

Geen samenvatting beschikbaar.

December 2014

Voordracht met rondleiding in het WERKSPOOR MUSEUM te Amsterdam.

Plaats: Werkspoor museum, Oostenburgergracht 77, 1018 NC Amsterdam.

Er is geen samenvatting van de voordracht. 

 

November 2014

In november werd het lustrum gevierd. Het gehouden programma vindt u op Histechnica 40Jaar symp 8 nov. Verder kunt u een verslag vinden op de pagina Lustrum.

Oktober 2014

Samenvatting van de voordracht 4 oktober 2014:

Van windkracht naar stoomkracht en van hout naar ijzer en beton in de Zaanse industrie.

In de Zaanstreek, ruwweg het gebied van ongeveer 10 kilomieter aan beide zijden van de Zaan,  ontstond vanaf het begin van de 17de eeuw een vroeg industriegebied gebaseerd op windenergie. Zo’n 1200 windmolens zijn er sinds 1600 gebouwd. Er werd olie geslagen uit oliezaden, papier gemaakt uit lompen, graan gemalen, gerst en rijst gepeld, hennep gebeukt voor de zeildoekindustrie en er werden verfstoffen gemalen. Bijna een eeuw na de uitvindingen van James Watt verdrong de stoomkracht in de windkracht in de Zaanstreek. Daaraan vooraf ging een periode van bijna een halve eeuw van experimenteren. Niet alleen de energievoorziening veranderde, ook de transmissie-systemen, de werktuigen en de gebouwen veranderden. Houten kamwielsystemen werden vervangen door drijfwerken en houten molenschuren werden vervangen door bakstenen gebouwen met gietijzeren kolommen. Later ging beton een rol spelen als constructiemateriaal. Opvallend is de dat de traditionele molenmaker een belangrijke rol speelde in dit transitieproces.

Informatie over de spreker Jur Kingma ( Wormer, 1945), gepensioneerd huisarts.

Hr Kingma was eerder werkzaam als tropenarts in Tanzania. Naast zijn werkzaamheden als huisarts was hij bestuurlijk actief in de geestelijke gezondheidszorg en verslavingszorg. In 1981 was hij medeoprichter van de vereniging tot behoud van monumenten van bedrijf en techniek Zaanstreek. Die vereniging is opgegaan in de Verenging Zaans Erfgoed. Hr Kingma publiceerde op het gebied van de Zaanse industriegeschiedenis en maritieme geschiedenis en is lid van The Newcomen Society (London).

Mei 2014

Geschichte und Technik des Braunkohlenbergbaus in Deutschland unter Berücksichtigung der technischen Entwicklung in der Lausitz, dipl.ing. R. Sahre

Geen presentatie beschikbaar.

 April 2014

Historie van de Ruimtevaart in Nederland, door ir. D. de Hoop.

Zie voor een korte samenvatting van zijn lezing: klik hier.

Maart 2014

Naar aanleiding van de lezing Gebouwd erfgoed in Indonesie gehouden door dhr. C. Passchier op 8 maart j.l., bijgaand de volgende aanvullende informatie:

Kopie van de lezing (PDF): PDF Cor Passchier Delft 8 maart 2014 (2)

Link naar de website van PAC Architecten en Consultants waar meer informatie te vinden is over de architectuur in Indonesie: http://www.pac-nl.org/index.php

Januari 2014

Christiaan Huygens, een veelzijdig geleerde”  door drs T. Cocquyt

Zie voor een korte samenvatting van zijn lezing: klik hier.

 

Juni 2013

Naar aanleiding van de lezing Materialen in de Luchtvaart gehouden door ir. J. Sinke in juni 2013:

Kopie  van de lezing (PDF): Lezing Histechnica

 

Overzichten lezingen voorgaande jaren:

2009

2010

2011

2012

2013