Techniek, reizen en de kunst van het regelen

Contents

    Wie met Ton Boele op reis is geweest, weet al snel wat voor man hij is: iemand met humor, verhalen, gevoel voor techniek en een bijna aanstekelijk enthousiasme voor alles wat rijdt, vaart, bouwt, pompt of baggert. Binnen Histechnica kennen veel leden hem vooral als de man van de reizen. Jarenlang was hij degene die routes uitzette, locaties verkende, hotels beoordeelde, praktische problemen oploste en onderweg ook nog voor de nodige relativering zorgde. Een opmerking als “Als u links kijkt, dan ziet u rechts niets” is dan ook typisch Ton: droog, geestig en precies raak genoeg om te blijven hangen.

    Vanaf 2011 was Ton als bestuurslid betrokken bij Histechnica; een jaar later schoof hij door naar de rol van reiscommissaris. Eerst deed hij dat samen met anderen, maar al snel bleek dat hij het liefst zijn eigen stijl volgde: goed voorbereid, zelfstandig en met oog voor de deelnemers. Hij verkende bestemmingen zelf en keek niet alleen naar technische hoogtepunten, maar ook naar bereikbaarheid, sfeer en betaalbaarheid. Een goede reis moest voor hem niet alleen inhoudelijk interessant zijn, maar ook prettig en haalbaar. Geen overbodige luxe, wel een goed hotel op een handige plek. Dat typeert hem: praktisch, doordacht en altijd met de groep in gedachten.

    Wat die reizen bijzonder maakte, is dat ze voor Ton nooit neerkwamen op het simpel afdraaien van een programma. Hij hield van de voorpret, van het samen onderweg zijn en van het zoeken naar plekken waar techniek, geschiedenis en landschap elkaar raken.

    Een greep uit de hoogtepunten van zijn reizen.

    Viarco, de potlodenfabriek in Noord-Portugal, waar ze elk potlood handmatig van een zwart ringetje voorzien. Dezelfde dag van het harde materiaal naar het zachte in de Fepsa-hoedenfabriek. Daar wordt konijnenhaar ambachtelijk verwerkt tot vilten hoeden.

    De reis werd feestelijk en zingend met een lofzang afgesloten.

    Indrukwekkend was de afdaling van 100 meter in een bruinkoolgroeve in Saksen.

    In Schotland daarentegen ging een groepje heldhaftig 100 meter de hoogte in, naar de bovenst liggers van de Firth of Forthbridge. De UNESCO-brug leek eindeloos te verdwijnen in de mist.

    Ton gaf de voorkeur aan langere reizen — met uitzondering van Hamburg, zijn tweede thuis. Voor een excursie naar de Airbus-fabriek, met een groot eigen vliegveld, had hij iedereen op het hart gedrukt vooral een paspoort mee te nemen, omdat de toegangscontrole streng was. Wie uiteindelijk de toegang werd ontzegd? Juist: Ton zelf had zijn paspoort niet bij zich.

    De reis naar Noord-Italië werd zeer gewaardeerd door de groepsleden. In Turijn kreeg Ton het voor elkaar om toegang te regelen tot de werkplaats van de metro, waar de groep zelfs onder de omhooggeplaatste treinstellen mocht doorlopen.

    Aan het slot van de reis door Noord-Spanje kreeg Ton het certificaat Lid van Verdienste van KIVI uitgereikt. Dit als waardering voor onder andere het organiseren van de reizen.

    Naast de techniek zat er altijd ook iets menselijks in: de gezamenlijke treinreis, het hotel vlak bij het station, Leipzig, het onverwachte gesprek, de anekdote die jaren later nog terugkomt. Juist daarom zijn zijn reizen veel leden bijgebleven: niet als keurige excursies uit een folder, maar als echte Histechnica-reizen, met inhoud én karakter.

    Wie naar Ton luistert, merkt al snel dat zijn band met techniek veel verder teruggaat dan zijn bestuurswerk. Die loopt als een rode draad door zijn leven. Al vroeg ging zijn belangstelling uit naar waterbouw en scheepvaart. Dat kwam niet uit de lucht vallen: hij groeide op in een familie waarin zand, schepen en ondernemen vanzelfsprekend bij elkaar hoorden. Zijn vader was reder en ondernemer, zijn grootvader vervoerde zand over water, en thuis draaide veel om aanpakken, regelen en doorgaan. Ton was de eerste in de familie die naar de universiteit ging. In Delft studeerde hij waterbouwkunde, toen nog een vakgebied dat nauw verbonden was met grote publieke werken, havens, constructies en de wereld van de civiele techniek.

    Die Delftse jaren zeggen ook iets over zijn karakter. Ton hield van inhoud, maar zeker niet van gewichtigdoenerij. Hij kon met zichtbaar plezier vertellen over colleges die op papier kurkdroog waren, maar door een bevlogen docent toch spannend werden. Denken vond hij belangrijker dan opzichtig presteren. Tegelijk wilde hij niet in een louter theoretische wereld blijven hangen. Hij was opgegroeid in een familie van doeners en voelde zich sterk aangetrokken tot het werk buiten: op projecten, in havens, op schepen en op bouwplaatsen. Na zijn studie wilde hij vooral één ding: de wereld in. Niet meteen het familiebedrijf in, maar eerst zelf ontdekken wat er elders te leren en te beleven viel.

    Dat bracht hem onder meer naar Duitsland, waar hij in de waterbouw en aannemerij terechtkwam. Daar ontdekte hij hoe verschillend technische culturen kunnen zijn — niet alleen in taal en omgangsvormen, maar ook in de manier waarop projecten werden voorbereid en uitgevoerd. Hij moest zich razendsnel nieuwe kennis eigen maken en kreeg te maken met constructieve vraagstukken waarvoor hij zich buiten zijn oorspronkelijke afstudeerrichting extra moest bijspijkeren. Hoewel hij in Delft in de algemene civiele techniek was afgestudeerd, bleek in Duitsland dat de weg naar projectleiderschap in de waterbouw eerst via een periode als constructeur liep.

    Dat was een tegenvaller, maar ook een uitdaging die hij aanging. In zijn vrije tijd werkte hij zijn kennis van constructieleer verder bij en bewees hij zich onder meer bij een aanbesteding voor de bouw van de vuurtoren Grosser Vogelsand in de monding van de Elbe, waarvoor een globale trillingsberekening nodig was. Juist daar kwam zijn Delftse bagage onverwacht goed van pas. Het ging niet altijd gemakkelijk, maar juist dat soort situaties paste bij hem. Ton lijkt iemand die energie krijgt van ingewikkelde omstandigheden, zolang er maar iets op te lossen valt.

    Die drang naar buiten bracht hem vervolgens nog veel verder. Na een periode op het hoofdkantoor van Hochtief, destijds de grootste aannemer van Duitsland, in Essen, keerde hij terug naar Cuxhaven en werkte hij aan internationale projecten, onder meer op de Antillen. Op Sint Eustatius werd hij projectleider bij de aanleg van de eerste grote pier voor zeeschepen. Dat soort werk had alles wat hem aansprak: techniek, organisatie, verantwoordelijkheid en een omgeving die totaal anders was dan in Nederland. Ook daar kwam zijn constructieve kennis nog geregeld van pas, zowel in het werk zelf als incidenteel daarbuiten, bijvoorbeeld bij herstelwerk aan een door een aardbeving beschadigde kerktoren. Hij vertelt daar nog altijd levendig over — niet omdat hij zichzelf graag op de borst klopt, maar omdat hij zich in dat soort projecten kon uitleven: jong, gedreven, nieuwsgierig en bereid om hard te werken. De wereld zien was voor hem nooit alleen toerisme; het was ook leren, vergelijken, improviseren en bouwen.

    Uiteindelijk kwam hij toch terecht in het familiebedrijf, al verliep dat bepaald niet via een rechte lijn. Juist doordat hij eerst andere wegen had verkend, bracht hij een eigen blik mee. Hij belandde in het baggerwerk en maakte daar zijn hoofdwerk van. Wat begon met één schip, groeide uit tot veel meer. Hij moest werk binnenhalen, schepen aan de gang houden, personeel opleiden, rekenen, onderhandelen en tegelijk technisch blijven vernieuwen. Dat klinkt als veel, en dat was het ook. Maar uit alles blijkt dat hier zijn ervaring, zijn achtergrond en zijn temperament samenkwamen. Waterbouw, scheepvaart, ondernemerschap en internationale oriëntatie vielen ineens op hun plek.

    Ton neemt zelden genoegen met “zo doen we het nu eenmaal”. In de baggerwereld zocht hij actief naar betere methoden, bijvoorbeeld om efficiënter te werken en zo met minder energie meer slib uit havens te verwijderen. Hij verdiepte zich in technische details, schakelde kennis van buiten in en durfde nieuwe oplossingen uit te proberen. Daarmee wist hij zich een plek te veroveren tussen grotere en gevestigde spelers. Dat ondernemende, bijna onderzoekende zit ook in zijn manier van praten: hij vertelt niet alleen wat hij deed, maar ook waarom iets werkte, waar het mis kon gaan en wat je daarvan leerde.

    In de loop der jaren werkte Ton niet alleen in Nederland en Duitsland, maar ook op andere plekken in de wereld, waaronder de Verenigde Staten. Zijn loopbaan was internationaal, technisch uitdagend en vaak behoorlijk intensief. Die brede ervaring heeft hem ongetwijfeld geholpen in zijn Histechnica-jaren. Want om goede reizen te organiseren moet je meer kunnen dan een lijstje maken. Je moet nieuwsgierig zijn, verbanden zien, mensen kunnen inschatten, risico’s herkennen en vooral plezier hebben in het verkennen van onbekend terrein. Precies dat zijn de eigenschappen die in zijn werkzame leven al volop aanwezig waren. In zekere zin kwamen zijn professionele ervaring en zijn rol bij Histechnica dus heel logisch samen.

    En toch is het niet alleen Histechnica die van Ton heeft geprofiteerd. Andersom heeft de vereniging ook iets bij hem losgemaakt. Zo vertelt hij dat Histechnica zijn belangstelling voor technisch erfgoed heeft verdiept. Dingen waarvan hij vroeger misschien dacht: opruimen en door, kregen later voor hem historische waarde. Machines, documenten, objecten, verhalen — ineens zag hij scherper dat techniek niet alleen functioneel is, maar ook cultureel erfgoed. Dat is misschien wel een van de mooiste effecten van een vereniging als Histechnica: je leert niet alleen nieuwe feiten, maar je gaat ook anders kijken naar de wereld die je al kende.

    Wat na een gesprek met Ton Boele blijft hangen, is niet alleen een indrukwekkend cv, maar vooral een levendige manier van in het leven staan: nieuwsgierig blijven, zelf gaan kijken, niet terugschrikken voor ingewikkelde projecten, humor houden als het tegenzit en techniek altijd verbinden met mensen, plekken en verhalen. Voor Histechnica is hij daarmee veel meer geweest dan alleen een organisator van reizen. Hij bracht ervaring, ondernemingszin, wereldwijsheid en een heel eigen toon mee. Zijn advies voor de toekomst van de vereniging is even nuchter als herkenbaar: blijf realistisch, weet wie je publiek is en verspil geen energie aan luchtfietserij. Ook dat is typisch Ton: praktisch, helder en zonder omwegen. Veel leden zullen met plezier aan hem terugdenken — en vermoedelijk met een glimlach zodra er in een bus weer iemand roept dat links eigenlijk rechts is.

    Wil de Wit
    Interview: 7 mei 2026
    Foto’s van Ton: 17 februari en 7 mei 2026
    Geschreven: tot 8 juni 2026
    Gepubliceerd: 8 juni 2026

    Updated on juni 8, 2026